Niet het kind, maar ouders straffen

Kinderen plegen op steeds jongere leeftijd delicten, beweerde staatssecretaris Kohnstamm onlangs. Maar is dat zo? Peter van der Laan betwijfelt het. Uit onderzoek blijkt het in elk geval niet. En Kohnstamms suggestie criminele jongeren 'tuchtrechtelijk' aan te pakken acht hij uit den boze. Hij oppert niet de kinderen te straffen, maar hun ouders.

Staatssecretaris Kohnstamm van Binnenlandse Zaken maakt zich grote zorgen over de toename van criminaliteit gepleegd door jonge kinderen. Kinderen zouden op steeds jongere leeftijd beginnen met het plegen van delicten. Hij doelt vooral op kinderen onder de 11 jaar. Een alomvattende aanpak van dit probleem acht hij dringend gewenst, waarbij hij de mogelijkheid van een 'tuchtrechtelijke' aanpak niet wil uitsluiten.

De staatssecretaris deed zijn uitspraken eerder deze maand bij de presentatie van de Integrale Veiligheidsrapportage (IVR). In deze rapportage wordt de stand van zaken van de veiligheid in het algemeen en van een aantal specifieke veiligheidsvraagstukken beschreven.

In de rapportage is onder meer een passage gewijd aan criminaliteit onder jonge kinderen. Deze passage is gebaseerd op onderzoek dat het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) heeft verricht op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Wie kennis neemt van de bewuste passage in de IVR en van de rapportage van het WODC, zal het opvallen dat nadrukkelijk wordt aangegeven, dat als gevolg van het ontbreken van betrouwbare registraties over langere tijd geen uitspraken kunnen worden gedaan over ontwikkelingen in deze of gene richting. We weten dus niet of de criminaliteit onder jonge kinderen toeneemt en al evenmin of er sprake is van een afname. Dat staatssecretaris Kohnstamm sprak over een toename valt dan ook niet te baseren op dit onderzoek.

De vraag is echter of het er veel toe doet of er al dan niet sprake is van een toe- of afname. Veel belangrijker is het te weten of we van doen hebben met een ernstig (maatschappelijk) probleem, dat maatregelen van 'tuchtrechtelijke' aard rechtvaardigt. Want dat is natuurlijk wel een opmerkelijke uitspraak.

Sinds jaar en dag kennen we in ons land een minimum leeftijd van 12 jaar, waarop kinderen strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. Beneden die leeftijd kan dat niet. (Dat betekent overigens niet dat er niet van overheidswege ingegrepen kan worden. In tegendeel, het is mogelijk om langs civielrechtelijke weg - door middel van een maatregel van kinderbescherming - in te grijpen; iets wat in de praktijk ook gebeurt.)

Is de omvang van het probleem nu zodanig, dat hierdoor een rigoureuze verandering van het beleid noodzakelijk is? Moeten we in het vervolg jonge kinderen voor de rechter brengen, waar zij zich moeten verantwoorden voor wat zij hebben gedaan? Het antwoord op beide vragen luidt wat mij betreft ontkennend. Met de ernst en omvang van het probleem valt het wel mee. Er is geen enkele reden een nieuwe bevolkingsgroep - die van de jonge kinderen - te criminaliseren. Bovendien verdient hoe dan ook een andere aanpak dan een 'tuchtrechtelijke' of strafrechtelijke de voorkeur.

Eerder genoemd WODC-onderzoek heeft naar voren gebracht dat in de steden Amsterdam, Haarlem en Alphen aan den Rijn respectievelijk 0,6 procent, 0,8 procent en 0,4 procent van de aldaar wonende kinderen in de leeftijd van 7 tot en met 11 jaar in 1995 in aanraking is gekomen met de politie vanwege een strafbaar feit. We hebben het dan welgeteld over 199 kinderen in Amsterdam, 57 in Haarlem en 27 in Alphen aan den Rijn. In ongeveer de helft van de gevallen gaat het om 11-jarigen. De strafbare feiten die gepleegd worden betreffen voornamelijk winkeldiefstal en vernieling.

Er zijn sterke aanwijzingen dat de verschillen tussen de steden te maken hebben met verschillen in (opsporings)beleid bij de politie. Zo is het hoge(re) percentage in Haarlem eerder het gevolg van een gerichte vuurwerkactie van de politie in die stad, waarbij veel jongeren (onder wie ook kinderen beneden de 12 jaar) zijn opgepakt, dan van een grotere geneigdheid tot delinquentie bij Haarlemse kinderen.

Hiermee komen we bij een van de grootste manco's, die kleven aan het gebruik van politiecijfers bij het bepalen van de aard en omvang van (jeugd)criminaliteit. Deze cijfers zeggen doorgaans meer over de opsporingsinspanningen bij de politie dan over het niveau van de criminaliteit. Het betreft uitsluitend bekend geworden feiten; de kinderen zijn aangehouden. Maar daarmee is natuurlijk niet alle criminaliteit gepleegd door deze kinderen in kaart gebracht.

Niet bekend

Is het probleem dan toch ernstiger dan op grond van de politiecijfers mag worden aangenomen? Nee, het hoge percentage wordt vooral veroorzaakt door feiten als 'andere kinderen lastig vallen' en 'fikkie stoken'. Op deze feiten 'scoren' jonge kinderen weliswaar hoger dan jongeren van 12 jaar en ouder en ook hoger dan jongvolwassenen in de leeftijd van 18 tot en met 24 jaar.

Maar laten we hieruit niet overhaast verkeerde conclusies trekken. Het zijn inderdaad dingen die 'eigenlijk niet mogen', maar ze zijn van een andere orde dan het lastig vallen en de brandstichting die door de ouderen zijn genoemd. Het gaat niet om feiten in de klassieke criminele betekenis van het woord.

Al met al denk ik niet dat we van doen hebben met een uit de hand gelopen maatschappelijk probleem. Er trekken geen grote groepen kinderen van 7 tot en met 11 jaar rovend en brandstichtend door ons land. Het gaat om een handjevol kinderen en het gros van de feiten die zij plegen is niet echt ernstig.

Bovendien is het niet zo dat de politie alles maar op zijn beloop zou laten. Sinds jaar en dag houdt de politie er een praktijk op na om in gevallen, waarvan zij denken dat er meer aan de hand is (problemen van psychosociale aard), de hulpverlening of de kinderbescherming in te schakelen, waardoor een adequate opvang en aanpak mogelijk wordt.

Dit betekent overigens niet dat er helemaal geen problemen zijn en dat politie, hulpverlening en kinderbescherming niet alert zouden moeten zijn. In de politieregistraties in de drie steden zijn we 36 kinderen tegengekomen, die in een periode van twee jaar meer dan één keer met de politie in aanraking kwamen, van wie één zelfs meer dan vijf keer. Is het plegen van een winkeldiefstal op 9- of 10-jarige leeftijd al niet erg 'leeftijdadequaat', meer dan één keer is dat al helemaal niet.

Het zal duidelijk zijn dat dit stuk voor stuk kinderen zijn die, voorzichtig uitgedrukt, enige extra aandacht behoeven. Dat impliceert onder meer een makkelijk te raadplegen registratie- of signaleringssysteem, zodat de politiefunctionaris die een (jong) kind heeft aangehouden weet of het om een 'bekende' gaat. Is dat het geval dan moet onverwijld de Raad voor de Kinderbescherming worden ingeschakeld.

Een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming in het gezin zal aan het licht moeten brengen wat er gedaan moet worden om herhaling te voorkomen en het betrokken kind optimale kansen op een evenwichtige ontplooiing te bieden. Dat dit in sommige gevallen zal resulteren in een maatregel van kinderbescherming (een ondertoezichtstelling bijvoorbeeld) sluit ik niet uit.

Een tuchtrechtelijke of strafrechtelijke aanpak lijkt mij minder gewenst. De resultaten van strafrechtelijke interventies zijn bij de oudere jeugdigen weinig bemoedigend en er is geen reden om aan te nemen dat dit bij jonge kinderen anders zou zijn.

Met taakstraffen, waaronder de Halt-afdoeningen, zijn de ervaringen in dit opzicht gunstiger, maar die kennen het zelfde bezwaar als de meer klassieke interventies als geldboete en vrijheidsstraf: zij zijn vrijwel exclusief gericht op het kind en gaan er bovendien van uit dat het kind zelf geheel verantwoordelijk is voor zijn gedrag en daar op aangesproken kan worden. Al deze interventies doen onvoldoende recht aan de (gezins)achtergrond en leefomstandigheden van het kind. Zij gaan voorbij aan bijvoorbeeld de rol van de ouders, de wijze van opvoeding.

Veel beter is het te kiezen voor een aanpak, waarbij de totale leefsituatie - dus ook het 'gezinssysteem' - wordt betrokken. Zeker bij jonge kinderen moeten de opvoeders (ouders/verzorgers) worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid en waar mogelijk hulp en steun geboden bij de opvoeding van hun kinderen.

Alleen zó is er enige kans dat er iets verandert aan de (opvoedings)situatie die mede heeft bijgedragen aan de 'ontsporing' van de kinderen. Door kinderen te straffen - hen bij voorbeeld naar een Halt-bureau te sturen - wordt de verantwoordelijkheid uitsluitend bij de kinderen gelegd en blijven de ouders buiten schot.

Misschien moeten we het bij jonge kinderen wel omdraaien: niet de kinderen, maar de ouders straffen. Maar ook dan geldt overigens, dat beter gekozen kan worden voor een 'constructieve' straf, die verandering van gedrag (lees: opvoeding) bevordert, en niet voor de meer klassieke, leedtoevoegende sancties. Daarvan valt weinig effect te verwachten, nog daargelaten het risico dat de ouders hun frustraties vervolgens afreageren op hun kind, dat er immers de oorzaak van was dat zij gestraft werden.