Lucifer

Met zijn vier centimeter lengte en paarse kop is de lucifer een mijlpaaltje in de wereldgeschiedenis. Toch is over de introductie in Nederland van de lucifer en zijn naam vrijwel niets bekend. Omdat bovendien in ons land informatie over de voorgeschiedenis ervan schaars is, daarover eerst.

Met ons huidig arsenaal van aanstekers, lichtknopjes, waakvlammen en lucifers kunnen wij ons amper voorstellen wat een corvee het ontsteken van licht vroeger was. Vuur maakte je met een tondeldoos. Wanneer je die in de duisternis gevonden had, moest je met staal en vuursteen vonken slaan om de tondel - gedroogde zwam of halfverkoold linnen - tot gloeien te brengen. Als dat lukte, kon je daaraan een zwavelstokje ontsteken. Dàn pas had je een vlammetje, waarmee je een kaars of olielamp kon aansteken.

Velen zonnen dan ook op manieren om hierin verbetering te brengen, waarbij de aandacht vooral uitging naar toepassingen van de in 1669 door de Duitser Hennig Brand ontdekte fosfor, dat licht ontvlamt. Vanaf ongeveer 1780 volgden de uitvindingen op dit gebied elkaar snel op. In deze eindeloze reeks verbeteringen van bestaande technieken, die tot in de 20ste eeuw aanhield, is het zinloos om de uitvinder van de lucifer te willen vinden. Een van de eerste apparaatjes was het 'fosforflesje' van omstreeks 1786, dat van binnen met fosfor was bedekt. De gebruiker moest er even een zwavelstokje in steken, dat vervolgens aan de lucht spontaan vlam vatte. Dit werd omstreeks 1805 opgevolgd door de Franse briquet oxygéné: een flesje met zwavelzuur (vitriool!) erin, waarin een geprepareerd stokje werd gedoopt, dat daarop ontbrandde. De gebruiker van dergelijke instrumenten liep met een klein laboratorium van giftige, bijtende, licht ontvlambare ingrediënten en glaswerk op zak. Toch zijn zulke contrapties tientallen jaren lang door velen gebruikt.

Terwijl deze ontwikkelingen gaande waren, verscheen in de jaren twintig van de 19de eeuw Samuel Jones ten tonele (geboorte- en sterfjaar onbekend). Hij dreef in Londen, aan de Strand, een zaak in huishoudelijke apparaten en verlichtingsartikelen, 'The Light-House'. Met reclamebiljetten vestigde hij de aandacht op zijn high-tech assortiment, waaronder 'draagbare keukens', een koffiezetapparaat ('Self-Acting Coffee Pot') en luchtzuiverende 'filosofische pastilles'. Jones kwam bovendien, in 1828, met een verfijnde versie van het hierboven genoemde vitrioolvuurtuig. Het bleef een bedenkelijk apparaat, met alle kans op rondspattende vonken of druppels zwavelzuur. Dit gerei, dat voor de gewone man te duur was, kreeg van Jones de naam promethean, naar de mythische figuur Prometheus, die het vuur uit de hemel had teruggeroofd.

Intussen had op een minder prominente locatie, in het Noordengelse stadje Stockton-on-Tees, de apotheker John Walker (1781-1857) reeds in 1827 een belangrijke vondst gedaan. Walker, een nogal teruggetrokken figuur, doopte stokjes in een mengsel van kaliumchloraat, antimoonsulfide en Arabische gom, en bracht ze tot ontbranding door de kop af te strijken tussen dubbelgevouwen schuurpapier. Het was op dit gebied de eerste bruikbare toepassing van wrijvingswarmte, en nog wel zonder fosfor of zwavel (die overigens al spoedig weer werden toegevoegd). Walker noemde zijn bedenksel friction light 'wrijvingslicht'. Hij verkocht zijn vuurhoutjes aan de plaatselijke bevolking, maar nam geen octrooi en timmerde ook anderszins niet aan de weg. In 1829 bereikte het nieuws van Walkers uitvinding Londen, waar ook Samuel Jones, de man van de prometheans, ervan hoorde. Hij maakte Walkers friction lights exact na, verpakte ze - als eerste - in kleine rechthoekige doosjes en gaf ze de aan het Latijn ontleende naam lucifers (of lucifer matches). Lucifer betekent in het Latijn letterlijk 'lichtbrenger' (van lux, tweede naamval lucis, 'licht', en ferre 'brengen, dragen'). Mogelijk heeft ook de associatie met Lucifer, de Duivel, wiens element bij uitstek het vuur is, meegespeeld. Match was het oude woord voor zwavelstokje. Of het publiek de naamgeving doorgrondde is twijfelachtig, maar het woord lucifer viel zo goed in de smaak dat alras de vloedgolf van na-apers niet meer te stuiten was.

Behalve in Engeland kwam ook in Duitsland binnen enkele jaren een grote luciferindustrie op. Nederland bleef vooralsnog op de import aangewezen. Een vroege vermelding van het nieuwe vuurgerei vinden we in het stukje 'Varen en rijden' van Hildebrand uit 1837. Hij schreef over 'die nieuwmodische zwavelstokjes, waar een mensch van opspringt als ze afgaan, en die een hydrogenium ontwikkelen, waarvan iemand het hart in het lijf omdraait!' Om welk type lucifer het precies ging is niet duidelijk, en hydrogenium (waterstof) kan de stank niet hebben veroorzaakt, maar dat die verschrikkelijk was, is ook uit andere bronnen bekend. Het was zelfs zo bar, dat Samuel Jones in zijn folder personen met zwakke longen uitdrukkelijk had afgeraden zijn lucifers te gebruiken.

Hildebrand noemde in 1837 het woord lucifer nog niet; de vroegst bekende vindplaats daarvan is vooralsnog een Koninklijk Besluit van 18 februari 1846 over 'fabrijken van Lucifers en zwavelstokkenmakerijen'. De eerste Nederlandse luciferfabriek werd echter pas in 1856 opgericht, aan de Nieuwe Havenstraat in Den Haag. Het woordje lucifer was toen al helemaal ingeburgerd, zoals onder meer blijkt uit het in 1851 gedateerde gedicht 'Des zangers min' van Piet Paaltjens, met de regels: 't Oorijzer fonkelt bij het licht/ Eens lucifers, dien vlak/ Voor 's dichters huis een passagier,/ Die rooken wou, ontstak.

Terwijl de lucifer steeds veiliger en betrouwbaarder werd gemaakt, is in de loop van de 19de eeuw door de grillen van de taal het woord lucifer in het Engels weer overvleugeld door het oudere match. Wel heeft lucifer zich tot op heden als leenwoord gehandhaafd in het Nederlands en, als lúsjefers, in het Fries. Naast dit officiële woord zijn er, zoals G. Geerts in 1978 in een artikel heeft laten zien, allerlei informele en gewestelijke benamingen in zwang, zoals allumetje, strijkhoutje, strieker, stekske, solfer, zwamme, zweigelke en natuurlijk luizepoot.

Met dank aan Ad Jansen (Dokumentatiegroep Lucifersetiketten)

    • Jaap Engelsman