Jonge musici en professionelen

Concert: Nationaal Jeugd Orkest o.l.v. Dennis Russell-Davies. M.m.v. Wu Man, pipa. Werken van C. Debussy, B-C Lam, G. Mahler. Gehoord: Concertgebouw Amsterdam, 27/7.

“De afzonderlijke stemmen zijn zó moeilijk, dat ze stuk voor stuk door solisten gespeeld zouden moeten worden”, oordeelde Mahler in 1901 tijdens het componeren van zijn Vijfde symfonie. Gemeten naar de individuele bijdragen aan de uitvoering van Mahlers Vijfde mogen de leden van het Nationaal Jeugdorkest - leeftijd: tussen de 15 en 25 jaar - gerust solisten genoemd worden. De symfonie van Mahler vormde zaterdag in het Concertgebouw de bekroning van de NJO-zomertournee, die dit jaar, evenals in 1994, onder leiding stond van de Amerikaanse dirigent Dennis Russel-Davies.

Vanaf 1957 worden de leden van het NJO gerecruteerd uit de meest talentvolle jonge musici van ons land en wordt in korte tijd een vaak ambitieus programma ingestudeerd. Het programma van het slotconcert bestond geheel uit twintigste-eeuwse werken voor groot orkest. Het meest eigentijds was het recent voltooide Sudden thunder van de in Amerika wonende Chinese componiste Bun-Ching Lam.

In dit concert voor pipa (Chinese luit) en groot symfonieorkest vermengt Lam harmonische wendingen uit de Westerse traditie met een Aziatisch idioom vol glissandi, opgedrukte snaren en tremoli. Als het orkest op volle kracht buldert is de pipa nauwelijks hoorbaar, maar dit manco wordt ruimschoots goedgemaakt door de solocadens en de spannende dialoogpassage tussen pipa en blazers.

Pipa-speelster Wu Man toonde haar technische klasse; het orkest liep soms achter de feiten aan. Maar in Sudden thunder, en ook daarvoor al in een wat weifelmoedig uitgevoerde Ibéria van Debussy, werd overtuigend duidelijk dat het NJO zich ook dit jaar kan meten met menig professioneel symfonieorkest.

Dat aan de uitvoering van Mahlers Vijfde symfonie maar geen einde leek te komen, lag dan ook niet aan de capaciteiten en de inbreng van de jonge musici. Dirigent Dennis Russel-Davies leek slechts oog te hebben voor de bombastische aspecten in deze symfonie, en te weinig voor de introverte schaduwzijden of de onverholen lichtvoetigheden van Mahler-de-Wener die nu en dan even opklinken. Russel-Davies schoot echter vooral tekort in zijn inzicht in de architectuur van deze monumentale symfonie waar alle voorgaande delen als het ware een loper uitleggen voor de Finale, waarin alle spanning, alle dramatiek tot een grootse ontlading komt. Al in de inleidende Trauermarsch werd te veel kruid verschoten. Russel-Davies liet een Mahler bouwen als een stad, waarvan de huizen zo hoog zijn opgetrokken dat de kerktoren niet imposant meer is.

    • Emile Wennekes