'Ik baal niet meer na een nederlaag'

Ik heb deelgenomen aan drie Olympische Spelen. Vooral aan de eerste in 1976 in Montréal bewaar ik goede herinneringen. We wonnen brons, een knappe prestatie. Wij waren amateurs, in vergelijking met andere landen trainden we veel minder. Maar we hadden een getalenteerde groep. Ik moest voor de doelpunten zorgen. Met dertien treffers was ik team-topscorer.

Mijn laatste Spelen, die van '84 in Los Angeles, waren ook geweldig. De Amerikanen hadden er één groot feest van gemaakt. Iedereen was enthousiast. Een groot contrast met vier jaar eerder in Moskou. Die Spelen werden door veel landen geboycot wegens de Russische inval in Afghanistan. Wij gingen wel, maar lieten de openingsceremonie aan ons voorbij gaan.

Als ik naar de Spelen in Atlanta kijk, moet ik constateren dat er veel is veranderd. Het gaat niet meer om de sporter die zich jarenlang de longen uit het lijf heeft getraind, maar om de commercie. Een betreurenswaardige ontwikkeling.

Waterpolo is een conditioneel zware sport. Je moet heel veel trainen om mee te kunnen. Na komend seizoen stop ik er daarom mee. De sport waarin ik succesvol ben geweest, kan ik gewoon niet op puur recreatief niveau in het zesde beoefenen. Zes jaar geleden deed ik al een stapje terug. Sindsdien speel ik voor mijn plezier in het tweede van HZC de Robben. Vroeger was het wedstrijdelement natuurlijk het belangrijkste. Als we verloren kon ik dagen balen. Nu ben ik een nederlaag na het douchen al vergeten.

Het tweede is een kweekvijver voor talent. Ik ben een beetje hun mentor. Aan de ene kant is dat heel leuk, aan de andere kant mis ik het contact met leeftijdgenoten. Die jonge jongens praten na een wedstrijd over brommers en uitlaten. Die tijd heb ik natuurlijk gehad.