DE VERLOKKINGEN VAN HET GENERATIE-DENKEN

Generaties en hun kansen door Henk Becker 209 blz., Meulenhoff 1992, f 34,50 ISBN 90 290 9689 6

Nu weet ik het zeker. Het zojuist verschenen Generaties en hun kansen van de Utrechtse hoogleraar sociologie Henk Becker laat er geen misverstand over bestaan: ik behoor tot de "Verloren Generatie', ik maak deel uit van de gedoemde leeftijds-cohorten die tussen 1955 en 1970 ter wereld kwamen. Te laat waren we voor de culturele revolutie en de economische voorspoed, net op tijd voor de instortende arbeidsmarkt en de dichtslibbende universiteit.

De Verloren Generatie te zijn, dat geeft een veilig gevoel. Veel tijd aan hooggespannen verwachtingen hoeven we niet te verdoen. Volgens Henk Becker staat ons na een leven vol "moderne armoede' slechts verdere kommer en kwel te wachten. Zorgelijk kijkt hij vooruit naar het jaar 2035 als ons de AOW toekomt, een voorziening die dan juist door de "Protest Generatie' (de cohorten geboren tussen 1940 en 1955) is opgemaakt, zoals die al eerder samen met de "Stille Generatie' (jaargangen 1930-1940) alle eliteposities voor onze neus wegkaapte, alle subsidies verteerde, en sinds 1968 de culturele macht monopoliseerde.

Wat meer is: volgens de Utrechtse socioloog is de Protest Generatie van zins heel oud te worden. Zij heeft ""in meerderheid relatief gezond geleefd. Veel bewegingssport, gezonde voeding en niet roken zijn tot vaste gewoonten geworden''. Voor de Verloren Generatie - toch al behept met ""een geringe neiging tot protest'' - rest niets dan nagelbijtend te wachten op ""een weinig verzorgde oude dag''.

Gelukkig dat Henk Becker (cohort 1933, dus Stille Generatie) voor ons met dit boek in de bres springt. Sinds enige jaren is hij doende met een omvangrijk universitair onderzoeksproject het generatiepatroon van Nederland in kaart te brengen. Generaties en hun kansen is niet alleen een samenvatting van dat onderzoek, maar ook een onomwonden oproep aan beleidmakers om op te treden tegen de eclatante ongelijkheden in kansen en verdelingen tussen generaties.

Vanuit het perspectief van de verzorgingsstaat, zo betoogt de Utrechtse hoogleraar, is intergenerationele solidariteit geboden. En wel snel, voordat Nederland in een neerwaartse spiraal terecht komt en slechts een verpauperd domein wordt van toeristen ""die in kogelvrije van zuurstof voorziene bussen huiverend door de binnenstad van Amsterdam rijden"". Het is nog niet te laat om de harmonie der generaties te herstellen. ""Er bestaat een sociale technologie, die wij kunnen inzetten'', schrijft Becker vastberaden.

ZEITGEIST

Het is niet voor het eerst dat het belang van generaties wordt beklemtoond in het ordenen van de geschiedenis. Plato betoogde al dat de verhouding tussen vaders en zonen de sleutel is voor het begrijpen van elke politieke verandering, maar het moderne begrip "generatie' ontstond eerst in de 19de eeuw. Wilhelm Dilthey omschreef in 1866 de Duitse romantici als "een generatie', rond 1900 bloeiden allerlei elitaire jeugdbewegingen die zichzelf tot "de nieuwe generatie' uitriepen, en na de Eerste Wereldoorlog schoot het begrip "generatie van 1914', the lost generation, la génération sacrifiée wortel.

Vaste wetenschappelijke grond kreeg het begrip vanaf 1928 met het befaamde tweedelige essay van de Hongaars-Duitse socioloog Karl Mannheim "Das Problem der Generationen'. Zijn voornaamste doel was af te rekenen met de zweverige theorieën die toentertijd de ronde deden over generaties als de grondslag van de Zeitgeist. Mannheim wilde tot een formele sociologische begripsbepaling komen. Een generatie was volgens hem een objectieve sociale formatie, een aanwijsbare lokatie in de samenleving. Het ging om leeftijdsgroepen die samenklonteren door een gezamenlijk beleefde historische gebeurtenis. Was na zo'n "Generationsimpuls' de "Generationszusammenhang' eenmaal tot stand gekomen, dan ontplooide de generatie zich in concrete generatie-eenheden zoals studentenbewegingen en jeugdorganisaties. Die konden overigens geheel verschillende ideologische overtuigingen aanhangen of verschillende doelen nastreven.

Sinds Mannheim bestaat er een bescheiden stroming van "generationalisten' onder sociologen, historici, en psychologen die volhouden dat de pelgrimstocht der mensheid niet zozeer gekenmerkt wordt door klassenstrijd of elitetwisten, maar door de golven van opeenvolgende generaties. Ook Henk Becker neemt expliciet het generatiebegrip van Mannheim tot het uitgangspunt van zijn eigen onderzoek. Ook hij heeft geen belangstelling voor romantische uitingen van generatiebewustzijn, maar is op zoek naar een strenge wetenschappelijke definitie van het begrip. In zijn optiek, zo meldt de Utrechtse socioloog, is een generatie ""een clustering van cohorten, die gekenmerkt worden door een specifieke historische ligging en door gemeenschappelijke kenmerken op individueel niveau (levenslopen, waardenoriëntaties en gedragspatronen) en op systeemniveau (omvang en samenstelling, generationele cultuur en generationele organistaties)''.

DRAMATISCHE PROPORTIES

Met deze definitie op zak gaat Becker nijver op zoek naar historische trendbreuken in de Nederlandse geschiedenis die tot de formatie van generaties hebben geleid. Een cruciale rol hierbij spelen volgens hem het waardenpatroon dat een leeftijdsgroep kenmerkt (""zoals opvattingen over de rol van de vrouw'') en relatieve schaarste van kansen op de beroepenmarkt. Zo komt hij uit op zijn patroon van vier generaties: de Vooroorlogse Generatie (jaargangen 1910-1930), die haar "formatieve periode' meemaakte tijdens de crisis van de jaren dertig; de Stille Generatie (1930-40) die ontstond tijdens en vlak na de oorlog en ""profiteerde van het economisch en sociaal gunstige klimaat van de tweede helft van de jaren vijftig''; de Protest Generatie (1940-55), en de Verloren Generatie (1955-70).

Zelden zal de Nederlandse geschiedenis van de 20e eeuw zo overzichtelijk in kaart zijn gebracht als in Generaties en hun kansen. Dat heeft ontegenzeglijk een aantal voordelen, maar overtuigingskracht is daar niet bij. Wat Becker presenteert is een steriel portret van de ontwikkelingen in ons land, waarbij bovenal de arbeidskansen van studenten schijnen te tellen. Om zijn schema van vier generaties vol te houden, moet hij niet alleen volstrekt onvergelijkbare historische episodes als Generationsimpuls gebruiken (de Tweede Wereldoorlog en het economisch beleid van de kabinetten Lubbers), maar zich ook in bochten wringen om enige kleine haperingen in de naoorlogse welvaartstaat tot dramatische proporties op te blazen.

Zo meent Becker dat ""de omslag in het economisch leven in het midden van de jaren zeventig een eind aan de tijd van materiële welvaart'' maakte, en dat ""de invoering van de no-nonsense politiek'' de gang van zaken in onze samenleving ""drastisch heeft veranderd''. Ik weet niet over welke samenleving Becker het hier heeft, maar het kan niet over Nederland gaan. In werkelijkheid is immers sinds de loonrondes van 1963 (dat lijkt me een echte trendbreuk) niet alleen de welvaart, maar ook het consumptiepatroon van luxe-goederen vrijwel voortdurend rechtlijnig gestegen tot het huidige niveau waarbij ons land bijvoorbeeld de meeste cd-spelers en personal computers per hoofd van de bevolking ter wereld telt.

Over cruciale trendbreuken in de waardenoriëntaties zoals de snelle ontzuiling (ook al sinds circa 1963) rept Becker in het geheel niet. Evenmin als over de vraag hoe het nu kan dat de hippies van de Protest Generatie op de Dam door hun leeftijdsgenoten in marinierskostuum weggeknuppeld werden, of dat de Verloren Generatie voor een groot deel bestaat uit Yuppies die flitsende carrières maakten terwijl hun leeftijdgenoten die sociologie of geschiedenis studeerden vergeefs rammelden aan de poorten van Alma Mater.

SCHULDGEVOEL

Ik geloof dat Becker dit de "achter-grondruis' van zijn "formele' theorie noemt, die een ""gedifferentieerde aanpak van de verklaringsproblemen'' behoeft. In feite ligt het probleem veel dieper. Het is geen toeval dat bijna niemand eerder zich gewaagd heeft aan een concrete invulling van Mannheims generatietheorie. Alleen de Amerikaan Ronald Inglehart heeft met zijn The Silent Revolution uit 1977 een poging gewaagd. Hij werd weggehoond, hoewel Becker dapper volhoudt dat ""de onderzoeksuitkomsten hem grotendeels gelijk geven''. Wat waren die onderzoeksuitkomsten dan? Welnu, dat er verschillen in waardenoriëntaties zijn van mensen die voor en na de Tweede Wereldoorlog zijn geboren.

Maar Becker wijst onverstoorbaar naar ""de tweede grootschalige toepassing van het begrip generatie'' die vanaf 1985 van de grond is gekomen. In dat jaar werd de these van de vier generaties geformuleerd ""die tot heel wat onderzoek aanleiding heeft gegeven''. De these was van Becker zelf en het navolgende onderzoek ook. Nu is dat onderzoek ongetwijfeld erg doorwrocht (het schijnt dat hij en zijn medewerkers het generatiepatroon van 70.000 Nederlanders bestuderen), maar uit dit boek blijkt ook dat het gevangen is in de dodelijkste van alle wetenschappelijke kwalen: elke conclusie bevestigt de theorie maar komt er tegelijkertijd uit voort. Zo vormen de cohorten geboren na 1955 een aparte generatie omdat ze verschillen van de voorgaande generatie - en zo kan dat onderzoek nog jaren doorgaan.

Becker komt uit dit boek naar voren als een aardige, bewogen man, en ik geloof dat zijn theorie voor een groot deel gefundeerd is op het schuldgevoel waaronder hij lijdt omdat zijn academische carrière al een rimpelloze aanvang nam nog voordat hij was afgestudeerd, terwijl hij nu ziet hoe jongeren moeizaam voortmodderen door het academisch moeras van deeltijdbaantjes en aio-posten. Voor iemand die altijd de wereld heeft gadegeslagen vanuit het raam van het sociologisch instituut in de Utrechse Uithof moet het wel lijken of de samenleving daardoor te gronde gaat. Vandaar ook dat Becker met dezelfde oprecht bezorgde toon over "adolescenten' spreekt als in de jaren zestig werd gedaan door begripsvolle jeugdwetenschappers.

De Utrechtse socioloog blijkt uiteindelijk in een sociologische valkuil te zijn gestapt. Het begrip "generatie' is reuze handig in de dagelijkse conversatie, en lijkt verlokkend te smeken om wetenschappelijke invulling, maar iedere poging daartoe loopt onherroepelijk te pletter op de veel te complexe werkelijkheid. Gelukkig biedt zowel voor Becker als voor ons van de Verloren Generatie de observatie van Ernest Hemingway veel troost: ""Alle generaties zijn altijd verloren generaties, en ze zijn dat altijd geweest, en zullen dat ook altijd zijn.''

    • Bastiaan Bommeljé