Forse Nederlandse inbreng op Salzburgse Parnassus

SALZBURG, 29 JULI. De Salzburger Festspiele, die in 1920 voor het eerst plaatsvonden op initiatief van de componist Richard Strauss en de toneelschrijver en librettist Hugo von Hofmannsthal, zijn eerbiedwaardig, prestigieus, omvangrijk en zeer kostbaar. Salzburg betekent door optredens van talloze grote sterren al vele decennia de top van het internationale kunstleven op het gebied van muziek, opera en theater.

Waar anders, zo vinden de Oostenrijkers die er fenomenale subsidies insteken, zou zo'n wereldmanifestatie van uitvoerende kunst kunnen plaatsvinden dan in Salzburg, in 1756 de geboorteplaats van Mozart. In het gebouw van de internationale stichting Mozarteum staat hier een witmarmeren beeld van de componist zoals hij nergens anders is afgebeeld - naakt. Hoe menselijk Mozart ook lijkt, hij heeft hier de verschijningsvorm van Apollo, de god van de kunst, die met de muzen heerste op de berg Parnassus. De muzische Salzburger Festspiele zijn dan ook niet aan Zeus gewijd maar aan Apollo. Ze zijn niet Olympisch' maar Parnassiaans. Ze zijn geen vierjaarlijks maar een jaarlijks evenement, want we kunnen niet lang zonder kunst.

De Nederlandse deelname aan de Salzburger Festspiele is altijd bescheiden geweest en beperkte zich voornamelijk tot een aantal optredens van het Concertgebouworkest. Bernard Haitink dirigeerde enkele jaren geleden nog Le nozze di Figaro. Dit jaar is het Nederlandse aandeel in de Salzburger programmering, mede dankzij artistiek leider Gerard Mortier, omvangrijker en belangrijker en deels zelfs uniek van karakter. Eind augustus brengen de Nederlandse Opera en het Koninklijk Concertgebouworkest drie voorstellingen van Schönbergs opera Moses und Aron, die in oktober vorig jaar al was te zien in het Amsterdamse Muziektheater. De voorstelling, een co-produktie met de Salzburger Festspiele, was in ons land al nominaal het hoogtepunt van het afgelopen muziekseizoen dankzij de medewerking van wereldberoemde kunstenaars als dirigent Pierre Boulez, regisseur Peter Stein en decorontwerper Karl-Ernst Herrmann. Voor Boulez, sinds het aantreden van Mortier vaak te gast bij de Festspiele, is het de eerste keer dat hij in Salzburg een opera dirigeert. Naast Moses und Aron speelt het Concertgebouworkest, dat onder leiding van Riccardo Chailly ook twee concerten geeft, nog meer Schönberg: de Variationen für Orchester op. 31. Verder dirigeert Chailly de Vijfde symfonie van Bruckner, de Klassieke symfonie van Prokofjev, Mozarts Pianoconcert KV 595 en Strawinsky's Le sacre du printemps. Ook Schönbergs Pierrot Lunaire en Gurrelieder staan op het Festivalprogramma, de laatste gedirigeerd door Claudio Abbado. Schönbergs kinderen Nuria en Lawrence hebben een interactieve multimediale tentoonstelling over hun vader gemaakt.

Gerard Mortier brengt dit jaar nog veel meer 20-ste eeuwse en eigentijdse muziek: Ives, Bartok, Eisler, Schreker, Webern, Sjostakowitsj, Messiaen, Dallapiccola, Cerha, Henze, Stroppa, Boesmans en Saariaho. Het tot klinken brengen van dit soort componisten is, naast de vernieuwingen op regie-gebied en de strijd tegen de hegemonie van de megasterren, een belangrijke verandering in het artistieke beleid, waarmee Mortier ver afstand neemt van het oude Salzburg uit de tijd van Karajan.

Mortier haalt een deel van zijn gelijk op een dit jaar door hem als Festspieldokument' geproduceerde cd, die is gewijd aan de dirigent Bernhard Paumgartner, de leider van het Mozarteum die sinds 1920 aan de Festspiele was verbonden en die 25 jaar geleden op 84-jarige leeftijd overleed. Hij was toen nog voorzitter van het bestuur van het festival. Ook Paumgartner, die veel onbekende Mozart uitvoerde, had al bezwaren tegen verschijnselen als conventionalisme, sterrencultuur, plat internationalisme en het bevorderen van een eenheidscultuur.

De voor Oostenrijk revolutionaire koerswijzigingen van de briljante oud-intendant van de Brusselse Opera, zijn vooral in Wenen nog altijd fel omstreden. Niettemin is Mortier onlangs voor vijf jaar herbenoemd en mag hij de Salzburger Festspiele voor het eerst een nieuwe eeuw binnen leiden. Voor Mortier persoonlijk is dat van uitzonderlijke betekenis. Hij ziet de rol van de kunst en van festivals in het bijzonder, zoals hij twee jaar geleden in een essay schreef, als van beslissende betekenis voor de maatschappij in heden en toekomst. “Het theater heeft als opgave utopieën als mogelijke realiteit zichtbaar te maken.”

Tekenend voor Mortiers blijvend uitdagende nonconformisme is dat hij de Salzburger Festspiele dit jaar liet openen met een uitvoering van de nu honderdjarige Tweede symfonie van Mahler door het Londense Philharmonia Orchestra, geleid door Gilbert Kaplan. De New-Yorkse miljonair en amateur-dirigent, die de Tweede in 1994 in ons land twee keer met het Residentie Orkest uitvoerde, kan zijn naam nu toevogen aan de lange rij van de allergrootste professionele dirigenten die in Salzburg optraden. Kaplan heeft zijn uitvoering inmiddels ook vastgelegd op een tweedelige interactieve cd-rom, samen met allerlei Mahleriana, foto's en een partituur van de Tweede.

Naast de lang voorbereide optredens van de Nederlandse Opera en het Concertgebouworkest is een ander opmerkelijk Nederlands aandeel in de Salzburger Festspiele bij verrassing toegevallen aan dirigent Edo de Waart: hij leidt acht keer Mozarts Le nozze di Figaro. De voorstelling van regisseur Luc Bondy en ontwerper Richard Peduzzi, waarin De Waarts levenspartner Susan Graham de rol van Cherubino zingt, zou aanvankelijk worden geleid door Nikolaus Harnoncourt. In februari, kort nadat hij wegens een ernstige operatie drie maanden niet had kunnen werken en veel had nagedacht, maakte Harnoncourt echter voor 1996 en 1997 een voorlopig einde aan zijn medewerking aan de Salzburger Festspiele, waar hij dit jaar ook Mozarts Don Giovanni zou dirigeren. In die voorstelling, geregisseerd door Patrice Chéreau, wordt hij nu vervangen door Donald Runnicles, voorheen assistent van Levine in New York.

Harnoncourt, die naast Boulez een van de boegbeelden van Mortiers nieuwe Salzburg had moeten worden, trok zich na drie jaar terug uit het festival. Er waren zakelijke en organisatorische problemen, maar zijn grootste grief was dat het Festival zich meer richt op een gemotiveerde keuze van regisseurs als Stein, Bondy, Chéreau, Mussbach, Wernicke en Sellars, dan van dirigenten. Harnoncourt denkt dat muzikale beslissingen voor Mortier bijzaak zijn. Hij wil weten waarom juist hij door de Festivalleiding als dirigent voor een bepaalde voorstelling wordt gekozen en niet een ander. Hij wil meer worden betrokken bij het voorbereidende werk en niet worden gereduceerd tot alleen de uitvoerder van andermans ideeën. Gerard Mortier en zakelijk leider Hans Landesmann toonden zich na Harnoncourts afzegging pijnlijk getroffen en diep teleurgesteld omdat ze niet begrepen wat ze fout hadden gedaan. Mortier rekent op een terugkeer van Harnoncourt, die hij echt nodig heeft, ook omdat Chéreau geen opera's meer wil regisseren en Bondy in Wenen gaat werken. Harnoncourt heeft al laten blijken dat hij vreest niet meer in Salzburg te zullen optreden, omdat inwilliging van al zijn wensen het festival “in de lucht zou doen springen. (.) Ik heb voor het leven gezworen nooit werk te doen dat wel belangrijk lijkt, maar waartoe ik mij gevoelsmatig moet dwingen. Ik kan alleen maar werken met enthousiasme en plezier.” Hoezeer Harnoncourt nu al in Salzburg wordt gemist bleek zaterdag bij de eerste uitvoering van Don Giovanni. Donald Runnicles en de Wiener Philharmoniker kwamen tot zeer respectabele prestaties, maar bleven daarbij urenlang geheel binnen de conventies, die Harnoncourt juist elke seconde doorbreekt met hoogstpersoonlijke details, tempi, klankkleur en ritmiek. Muzikaal haalde deze Don Giovanni niet bij de voorstelling die Harnoncourt en het Concertgebouworkest bij de Nederlandse Opera begeleidden.

De duistere produktie van de Praagse première-versie, die twee jaar geleden teleurstelde en verre bleef van wat Chéreau in 1976 in Bayreuth deed met Der Ring des Nibelungen, is nu wat met spots opgelicht. De manier waarop Chéreau het verhaal vertelt en de personages karakteriseert blijft echter onduidelijk: is dat ene huis nu van Don Giovanni, van Donna Anna of wonen ze toch samen? Vrolijkheid en drama, zo rijkelijk aanwezig bij Gardiners semi-concertante versie, willen hier maar niet doorbreken. De voorstelling wordt vocaal en theatraal overheerst door Bryn Terfel, een uitzonderlijk expressieve en expansieve Leporello, tegen wie zelfs Ferrucio Furlanetto in de titelrol niet opkan.

Natuurlijk wordt er verder veelal voortreffelijk gezongen, vooral door Catherine Malfitano als Donna Elvira. Maar Lella Cuberli klinkt als Donna Anna wat bleek en ongemakkelijk. Uiteindelijk blijken ook hier compromissen soms inherent aan 's werelds meest ambitieuze kunstmanagement.