“Come on here, ten dollar!”

In de buurt van de olympische accommodaties staan langs de weg overal mensen met vlaggen en kledingstukken te zwaaien. Eerst wuifden we vanuit de auto vrolijk terug, maar we zijn er inmiddels achter dat dat niet de bedoeling is.

Ze willen dat we bij hen onze auto parkeren. Wie een beetje flinke backyard heeft, probeert wat bij te verdienen door er voertuigen van olympische bezoekers te stallen. Parkeerplaatsen zijn er dus meer dan genoeg bij de stadions en sporthallen.

Ook in deze branche worden in Atlanta flinke prijzen gevraagd. Bij het Olympisch Stadion rijden we door als één van de stallingen twintig dollar blijkt te kosten. Dat is toch iets te gortig. We rijden verder - ten afscheid steekt één van de parkeerwachters zijn middelvinger omhoog. Een meter of tachtig verderop is het al veel goedkoper. “Come on here, ten dollar!” Dat is nog te doen.

Waar moeten we staan? Drie enthousiaste tieners verwijzen ons door een nauwe ingang naar een plek achter een krakkemikkig huis. Binnen gaat het leven gewoon door, kinderen blèren, de tv staat aan. Er is ruimte voor zo'n zes auto's. Als we langs het bordje lopen waar de prijs op staat, zien we dat die is veranderd. Uit nieuwsgierigheid kijken we onder het afgeplakte bedrag. We zien dat er oorspronkelijk 20 heeft gestaan. Zo gaat dat in het zakendoen: soms moeten prijzen worden aangepast.

Als we 's avonds terugkeren, houdt nog steeds iemand de wacht voor de ingang van de parkeerplaats. Voor die service hebben we natuurlijk ook betaald. Ten dollar. “Ik heb hier uren gestaan”, zegt de man. “Krijg ik nou een fooi?”