Bergse Plassen

De vader van mijn moeders moeder kon zo goed schaatsen dat hij zijn naam in het ijs schreef. 'Kees Stolk' - het heeft meermalen met sierlijke krullen in het bevroren oppervlak van de Bergse Plassen gestaan, waar hij zesendertig jaar oud verdronk toen hij er tijdens een strenge winter in een wak reed.

Nog laat op weg naar zijn eiland met eendenkooien moet hij in de vallende schemering de zwakke plek onder de stuifsneeuw niet hebben gezien en in volle vaart onder het ijs zijn geschoten.

Pas toen het begon te dooien, hebben ze hem gevonden: vooroverdrijvend tussen de schotsen, de schaatsen nog onder zijn laarzen en het geweer, dat hij altijd bij zich droeg, dwars over zijn rug. Op zijn grafsteen kwam 'De Rustende Jager' te staan, en toen zijn jonge vrouw kort na hem aan tbc overleed, werden hun dochtertjes van twee, vier en zeven jaar in verschillende gezinnen geplaatst. Mijn grootmoeder kwam terecht bij een kinderloze oom en tante, die ook in Hillegersberg woonden, en hoewel ze haar vader nauwelijks had gekend en er geen foto van hem bestond, was haar verhaal van zijn tragische dood, waarmee ik al in mijn prille jeugd vertrouwd raakte, niet uit onze familie weg te denken.

Schijnbaar zonder aanleiding dook zijn naam, die hij zo zwierig in het ijs had geschreven, bij tussenpozen weer op en zag ik zijn donkere gestalte over de verlaten plassen voortsnellen, tot het beeld plotseling werd afgebroken en hij, door niemand opgemerkt, in het gat van de witbestoven valkuil verdween.

Ik durfde het nooit onder woorden te brengen, maar ik heb altijd het gevoel gehad dat het de wraak van de wilde eenden is geweest. Want volgens mijn grootmoeder had haar vader, die zeer gefortuneerd was en nooit voor zijn brood heeft hoeven werken, zijn korte leven grotendeels in het waterrijke gebied rond Hillegersberg doorgebracht. Samen met de burgemeester, Le Fèvre de Montigny, ging hij er jagen, vissen en zwemmen (hij stond bekend als een uitstekend zwemmer, wat hem die vroege winteravond niet heeft mogen baten) en hij roeide dagelijks naar zijn eiland, waar hij behalve de kooien met lokkers ook een jachthut had en de overvliegende zwermen in het najaar onder schot nam.

Ofschoon ik de jager in hem verfoeide, heeft hij mij als voorouder hevig gefascineerd - niet alleen om zijn noodlottig einde, maar omdat ik iets in hem herkende: de verknochtheid aan de Bergse Plassen, waarmee ik tot mijn twintigste jaar een hechte band heb gehad.

Ik was negen jaar toen mijn vader dankzij kennissen de Bergse Plassen als recreatiegebied ontdekte. Voor betrekkelijk weinig geld bleek je er een gedeelte van een eiland te kunnen pachten, zodat we - bij wijze van compensatie voor het feit dat we nooit met vakantie gingen - onverwachts in het bezit kwamen van een drassig stuk grond met wilgen en vlierstruiken. Het rook er naar teer en vermolmd hout en het werd omzoomd door manshoge rietkragen, die als groene legers in slagorde oprukten wanneer ze niet, zoals we al gauw ondervonden, geregeld werden weggesneden of afgebrand. De aarde veerde er een beetje onder je voeten, en behalve een zomerhuisje met een overdekte veranda hoorde er ook een roeiboot bij, met een ligplaats in het haventje tussen de weilanden van boer Poot. Mijn moeder kwam er uitsluitend op zondag met mooi weer, en wilde er wegens de primitieve wc in een kotje achter het huisje nooit blijven slapen. Daarentegen waren mijn vader en ik er, weer of geen weer, van de lente tot de herfst wanneer ik vrij had van school en alle weekends als hij niet moest werken, waar weinig kans op was daar er gedurende de zomermaanden haast niets in het variétévak te verdienen viel.

Als de wind in onze richting woei, hoorden we uit de speeltuin van Lommerrijk de muziek van de draaimolen, en zaterdags bereikten ons tot middernacht de klanken van Dick Willebrands' band, die gedurende het zomerseizoen het wekelijkse bal champêtre in dezelfde tuin placht op te luisteren. We ontdekten de Inktpot, een labyrint van moerassen en riet, dat zijn naam ontleende aan de donkere kleur van de poelen en inhammen, en waar witte vlekken waterlelies stil en onaantastbaar op het bijna zwarte oppervlak dreven. We haalden water in een mandfles en melk bij de boer, kookten en zetten thee of koffie op de oliestellen, zwommen bij de ondiepe zandplaat in de Stormplas en sliepen bij het slaapverwekkende gekwaak van kikkers op een soort harmonikabedden, al was het verboden in de huisjes te overnachten - waar niemand zich trouwens aan stoorde.

Daar ik het een heerlijke lichaamsbeweging vond om met lange slagen te roeien, trok ik er door de week, als de eilanden er verlaten bij lagen en er weinig boten waren te zien, dikwijls alleen op uit. Soms liet ik me stuurloos drijven en vroeg me onwillekeurig af waar het eiland met de eendenkooien en de hut van mijn overgrootvader kon zijn geweest, of de plek waar het ijs zich als het deksel van een doodkist boven hem had gesloten.

Een onvergetelijke gebeurtenis was de voorstelling van de Italiaanse Opera op de Achterplas van Lommerrijk. Met aan de ene kant het betalende publiek langs het plankier van de speeltuin en op het terras van het café, en aan de andere kant de eigenaars van de talloze, zij aan zij liggende zeilschepen, kano's, roei- en motorboten, rees in de lichtbundels van een paar schijnwerpers een vlonder met een zwarte vleugel en felgroene palmbomen als een surrealistisch schouwspel uit het water op. Via een geïmproviseerde noodbrug bereikten de solisten het drijvende podium, en na iedere aria en elk duet vermengde het applaus van de wal zich met het getoeter van de scheepshoorns uit de dobberende vaartuigen tot een eensgezinde ovatie.

Ik weet nog dat het een warme avond was met af en toe een zuchtje wind en een volle, onwaarschijnlijk grote maan, die vermiljoenrood over de toppen van een rij populieren schoof; en dat het was alsof de stemmen, die tot ver over het donkere water werden meegevoerd, een ode aan de Bergse Plassen brachten, waar lang geleden een eenzame schaatser zijn naam in het ijs had geschreven.

    • Tonny van der Horst