Wit naakt is acceptabel, gekleurd naakt is onkuis

Beelden in kleur, tentoonstelling in het Van Gogh Museum. Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. Tot 17 november. geopend dagelijks 10-17 uur. Catalogus 'The Colour of Sculpture' uitg. Waanders, Zwolle, 280 blz., ongebonden ƒ 69,50, gebonden ƒ 95,-.

Poezelig is ze, haar marmeren lichaam heeft een warme, romige teint. Haar lippen zijn roze en haar ogen hemelsblauw; door haar blonde haar zijn lichtblauwe linten gevlochten, en haar witte kleed, over een arm gedrapeerd, is afgezet met een rand in rood en blauw. De granaatappel in haar hand is van goud, net als armband en oorbellen. Aan haar voeten tenslotte kruipt een kleine lichtbruine schildpad. Dit is de Tinted Venus, rond 1855 vervaardigd door de Engelse beeldhouwer John Gibson, in de toendertijd alom geaccepteerde stijl van de grondlegger van het neoclassicisme, Antonio Canova.

Maar allerminst geaccepteerd was de toevoeging van kleur. (Neo-) Classicistische beelden zijn van het zuiverste wit, of zwart wanneer ze van brons zijn gemaakt. De Gekleurde Venus veroorzaakte dan ook veel opschudding toen zij geëxposeerd werd op de grote Internationale Tentoonstelling in Londen in 1862. Want een witte naakte godin was acceptabel - maar een gekléurde naakte godin werd als onkuis ervaren.

Staand voor de Tinted Venus kan ik die reactie gemakkelijk navoelen. De naturalistische kleuraccenten op het marmer, hoe bescheiden ook aangebracht, zijn zeer ingrijpend. Een Venus met lippenstift en gouden oorbellen is een te letterlijke uitwerking van een idee. Zij is niet langer een allegorie van de liefde, maar een pop verkleed als Venus. De verregaande natuurgetrouwheid maakt haar als kunstwerk juist minder overtuigend. John Gibson zag dit anders. Hij vond dat hij door de toevoeging van kleur het marmeren beeld tot leven riep.

De Tinted Venus is te zien op de expositie Beelden in Kleur in het Van Gogh Museum. Aan de hand van circa honderd beelden uit de periode 1840 tot 1910 wordt hier getoond op welke manier en met welke materialen 19de-eeuwse beeldhouwers kleur als expressiemiddel toepasten. De werken zijn chronologisch gerangschikt en verdeeld over vijf thema's: Classicisme, Neogothiek, Salonkunst, Impressionisme, Fin de Siècle. De beeldhouwers voegden niet alleen kleur toe door middel van verf, maar combineerden ook verschillende patina's in hun bronzen, en werden steeds gedurfder in de toepassing van diverse steensoorten als onyx en amber, in het vergulden en verzilveren van details en in het decoreren met lapis lazuli en allerlei halfedelstenen. Was en glaspasta leenden zich ook goed voor kleur.

Rond de eeuwwisseling werd zelfs kunstlicht gebruikt om bij te dragen aan het effect, zoals een beeldje van de leerlinge en minnares van Rodin, Camille Claudel, laat zien. 'In Gedachten Verzonken' heet het ensemble in brons en onyx, van een jonge vrouw gezeten aan een haardvuur dat verlicht wordt door een lampje.

Tot aan het begin van de Negentiende eeuw twijfelde niemand aan de opvattingen van de beroemde kunstgeleerde en grondlegger van de archeologie, Johann Joachim Winckelmann (1717-68), die het wezen van de Griekse klassieke kunst samenvatte als 'edle Einfalt und stille Grosse'. Volgens Winckelmann waren de Griekse beelden per definitie onbeschilderd, en dus 'puur'. Maar al kort na de publicatie van zijn Geschichte der Kunst des Altertums (1764) wezen archeologische opgravingen in een andere richting. De ontdekking van Pompeiï en Herculaneum deden vermoeden dat de Antieke beeldhouwkunst beschilderd was geweest, en op de Elgin Marbles, waaronder de beroemde Parthenon-sculpturen, werden in 1812 bij onderzoek in het British Museum kleurfragmenten ontdekt. Deze ontdekkingen veroorzaakten een golf van enthousiasme voor de polychromie in heel Europa.

Een voorloper van de trend was Ludwig I van Beieren die hele beschilderde tempels liet bouwen. Engeland kwam in de greep van een ware 'polychromania', met een hausse aan kleurrijke quasi-Egyptische, Assyrische en Griekse interieurs.

Naast de classicerende trend ontstond er ook vanaf circa 1830 vanuit de Romantiek interesse voor polychromie. Neogotische beeldhouwers en architecten lieten zich inspireren door de laatmiddeleeuwse rijkbeschilderde (tenminste, wat er van over was) heiligenbeelden en kerkinterieurs. Van beide richtingen, de classicerende en de neogotische, zijn op de tentoonstelling in het Van Gogh mooie voorbeelden te zien.

Het meest spectaculair zijn wel de borstbeelden van Charles Henri-Joseph Cordier, van rond 1860. Hij maakte als een van de eersten 'polylithische' (bestaande uit meer steensoorten) beelden. De 'Soedanese neger in Algerijnse kledij' draagt een mantel en tulband van onyx, en staat op een marmeren sokkel. De kleuren zijn overrompelend. Rode en caramelkleurige aderen banen zich een weg door het zachte, melkachtige onyx. De steen contrasteert prachtig met de donkerbruine bronzen kop van de Soedanees. Hier zien we weer diezelfde letterlijkehid, het brons is de kleur van de negerkop. In sculpturaal opzicht is het beeld minder interessant. Het glinsterend onyx is erg zacht, de tulband is dan ook eerder gemodelleerd dan gebeeldhouwd. De kop is een pastiche van een negerhoofd. Dit beeld ontleent al zijn effect aan de rijkdom van materiaal en kleur, niet aan de vorm of aan de artstieke zeggingskracht. Cordier zelf beschouwde zijn borstbeelden als een poging om wetenschap en kunst met elkaar te verenigen in wat hij noemde 'ethnografische sculptuur'. De andere twee beelden zijn, net als de neger, eerder typen dan portretten van individuën: een 'Arabische Sjeik' en een 'Jodin uit Algiers'. Bij veel van de geëxposeerde werken dringt zich de vraag op naar het verschil met decoratieve, toegepaste kunst, bijvoorbeeld met de gekleurde porceleinen rococo-figuurtjes die tot op de dag populair zijn. Wanneer een beeldhouwer in een stenen kop gekleurde ogen stopt, zoals de ogen van knalblauwe steen in het witmarmeren gelaat van de 'Ravenna' van Jean-Baptiste Hugues (ca. 1885), dan is het resultaat niet een kunstzinnig realisme, maar een griezelig-aandoende nep-werkelijkheid.

Ter vergelijking: een werk van de schilder en realist Gustav Courbet, zoals het imposante zeelandschap dat het Van Goghmuseum onlangs verwierf en dat momenteel op de begane grond wordt geëxposeerd, is geen imitatie-werkelijkheid, maar een overtuigende evocatie van een al dan niet 'echt' bestaand landschap. Het onderscheid is subtiel, maar heel wezenlijk. De borstbeelden van de Soedanese neger en van de Ravenna horen niet thuis in de traditie van het realisme, maar in die van het verisme. Bij verisme gaat het uitsluitend om levensechtheid en natuurgetrouwheid, zonder dat er gezocht wordt naar een kunstzinnige uitdrukkingsvorm. Zoals een beeld van Christus met echt haar op zijn hoofd en echte spijkers door zijn handen.

Natuurgetrouwheid is geen criterium voor kunst, zelfs niet voor 19de eeuwse kunst. Het tegenovergestelde is dat wél: zeggingskracht en spanning ontstaan juist waar het kunstwerk, ook een realistisch kunstwerk, door zijn autonome vorm afwijkt van de zichtbare wereld en een eigen werkelijkheid schept. Dat doet, op de tentoonstelling, de bronzen narrenkop van Picasso. En ook het schitterend melancholieke 'Borstbeeld van een muze' van de onbekende Richard König uit 1901, met haar weerbarstige kapsel van smeedijzeren krullen.