Waterpoes

Zoals de lezer van deze column bekend is bevindt zich in de tuin van Sarah Hart sinds kort een vijver. Ik weet er alles van, want ik heb hem zelf aangelegd. Of aangelegd is niet het juiste woord: toen we hier kwamen wonen was die vijver er al, sinds jaren niet meer in gebruik. Er stond geen water in, hij was lek, leeg, een met cement beklede bomkrater.

Een onding: groot en lelijk, kleine kinderen gooiden er grind in, voor zover ze er al niet zelf in vielen. Dit deed ons besluiten er aarde in te storten. Die aarde raakte snel begroeid en vijf jaar lang hadden wij een weelderig begroeide cirkel in het grind, een pseudo-vijver, een fata morgana, een trompe-l'oeil.

Van tijd tot tijd speelden we met de gedachte hem uit te graven en er weer een echte vijver van te maken; maar we deden het niet, 'de tijd was er nog niet rijp voor'. Dit voorjaar was het zo ver. De begroeiing werd verwijderd, de gestorte grond uitgegraven en de weer blootgelegde kom werd wat bijgewerkt met metselspecie. Alleen om de vorm te restaureren; een lekkende cementen vijver is vrijwel niet meer waterdicht te krijgen. Gebarsten of stukgevroren vijvers moeten vroeger een onvoorstelbare lijdensweg zijn geweest, want voor iedere reparatie moest hij weer helemaal leeg, alle planten en vissen er uit, wachten tot het nieuwe metselwerk hard was geworden en da capo. Nu is dat allemaal verleden tijd, dankzij een recente uitvinding genaamd vijverfolie.

Een wondermateriaal, sterk en duurzaam, bijna zonder natuurlijke vijanden, de enige bedreiging bestaat uit kleine jongens met puntige stokken, maar die komen in onze beschutte tuin bijna niet voor. Gemakkelijk aan te brengen: in minder dan een uur was alles voor elkaar, de plan-convexe leegte was gevuld; er lag nu opeens midden in onze tuin een lens van water, of meer een ronde spiegel, met een middellijn van drie meter, inhoud ongeveer 1000 liter, gewicht 1 ton (minder dan de verplaatste hoeveelheid aarde).

Over enkele van de planten die in deze vijver te water werden gelaten - tot zinken gebracht is eigenlijk de beste omschrijving - is in deze rubriek al eens geschreven door Sarah Hart (Buitenlust 168). Wat mij daarvan vooral frappeerde is dat er een curieuze parallel lijkt te bestaan tussen landplanten en waterplanten, alsof alle levensvormen op het land hun equivalent hebben in het water, hetgeen in de Latijnse namen tot uiting komt door uitgangen als aquaticum, palustris, lacustris of natans. Zoals landplanten zorgen voor gezonde lucht, zo zorgen waterplanten voor schoon water. In boeken over vijvers - in de literatuur meestal aangeduid als 'watertuinen' - kom je zinsneden tegen als: 'daar groeien zuiverende waterplanten'.

Ik moet bekennen dat ik een weerloze prooi ben voor zulke omschrijvingen, ik zie het duidelijk voor me, frisgroen riet en plompebladeren, zorgend voor kristalhelder, echt 'zuiver' water. Zover is het in werkelijkheid helaas nog niet. Het bijhouden van de watertemperatuur stelt in staat voorzichtige voorspellingen te doen over de helderheid, want die is afhankelijk van de groei van algen. Boven de 20 graden en bij een redelijke dosis zonlicht groeien die krengen explosief, van de ene dag op de andere is het water troebel. Het helderste water, maar zonder dat iemand er wat aan heeft, zou vermoedelijk ontstaan onder een dicht dek van bladeren aan de oppervlakte, een paradox van het type: als er minder mensen in de tram zaten konden er meer mee.

Een verdere complicatie is dat de leliebladeren haast even snel als ze gevormd worden weer worden opgevreten door een of ander satanisch insect, een voorbeeld van hoe mooi alles geregeld is in de natuur. Dan zijn er, om het nog mooier te regelen, de vissen. 'No pond or lake capable of supporting water plants can be termed a complete success without its complement of fishes,' aldus het standaardwerk Water Gardening van Frances Perry. Alleen al om hun consumptie van muskietenlarven zijn vissen onmisbaar, aldus Perry, en wat je nodig hebt is een soort die niet de waterplanten aanvreet of de modder omhoogroert; ook moeten ze er kleurig en interessant uitzien en in harmonie leven met hun soortgenoten. 'Such a description most aptly fits the goldfish, a hardy, easily tamed creature of quiet habits and reasonable cost.'

Wij verwierven er drie, twee diep oranje en één lichtrose, bijna wit, die wij Tom, Dick en Harry hadden gedoopt, maar ons dochtertje veranderde dat in Tom, Dick en Sneeuwwitje. Het lot had overigens een verrassing voor ons in petto, namelijk Augustus Carp.

In de dierenwinkel waar we de goudvissen kochten hadden ze een grote Japanse karper in de aanbieding. Hij was, naar de verkoper uitlegde, 'te wild' en moest weg. We konden hem krijgen voor bijna niets en deze dieren schijnen anders nogal prijzig te zijn.

Nooit heb ik vermoed dat ik mij nog eens zo zou hechten aan een vis. Bij aankomst verdween Augustus meteen naar de bodem en liet zich niet meer zien. Niks te wild, verlegen juist. Het bijgeleverde visvoer verdween wel, maar alleen als je niet keek. Geleidelijk kwam daar verandering in. Hier wierp het lezen van de boeken van Skinner voor het eerst vrucht af: ik zorgde ervoor iedere ochtend op hetzelfde tijdstip aan de rand van de vijver te zijn en het dagrantsoen steeds op dezelfde plaats in het water te gooien. En waarachtig, na een week trof ik hem 's morgens wachtend op de afgesproken plek aan. Het contact groeide met de dag; nu eet hij al bijna uit mijn hand.

Die parallel tussen levensvormen te land en te water bleef mij bezighouden.

Augustus, zo viel mij meer dan eens in, heeft soms iets van een poes. Vraag mij niet wat dan precies - iets in de manier waarop hij opduikt in een boogje, zoals een kat onder je hand doet voor een aai. Dat ik niet de enige ben die het zo ziet mag blijken uit het feit dat de kattentekenaar Kliban meermalen die beweging heeft weergegeven ('How they do it'), en zelfs katten in een vijver heeft getekend. Waterpoezen. En dan nog iets (of verbeeld ik mij dat?): ze hebben dezelfde uitdrukking in hun ogen.