Wapenindustrie zoekt klanten

De mondiale defensie-industrie heeft het moeilijk. De thuismarkten zijn ingezakt, buitenlandse afnemers zijn op de kleintjes gaan letten en het is dringen op de onontgonnen afzetgebieden. Rusland verkoopt aan iedere hoogste bieder. De Amerikaanse en Europese wapenproducenten leveren overal ter wereld slag om orders, onder andere in Oost-Europa. En er komen nieuwe allianties - Polen heeft Russische tanks met een Zuidafrikaans vuurleidingssysteem in de aanbieding.

De tanks en raketten waren extra opgepoetst, de videopresentaties spectaculairder dan ooit en overal stond de gekoelde welkomst-champagne klaar. De standhouders van Eurosatory '96, een grote defensiebeurs die onlangs in Parijs werd gehouden, hadden weer breed uitgepakt. Er was genoeg te doen voor delegaties uit de hele wereld. Nigeriaanse militairen schoten met een Zweedse simulator helikopters van een beeldscherm, Russische vertegenwoordigers legden aan een Arabische afvaardiging uit hoeveel voetbalvelden een enkel projectiel van een Smerch-raketlanceerder kan verschroeien en een menigte VIP's schoot in de lach toen een op afstand bestuurbaar rupsvoertuig tijdens een demonstration dynamique toch over een eigen wil bleek te beschikken en enkele pilonen plette.

Toch was de stemming op deze beurs gedrukt. Al het promotionele geweld kon niet verhullen dat het niet goed gaat met de mondiale defensie-industrie. In de vette jaren tachtig, toen de Koude oorlog nog woedde, draaiden de defensie-industrieën op volle toeren. Nog geen tien jaar later heeft de wereld voor meer dan 100 miljard dollar op defensie bezuinigd. Alleen al de Verenigde Staten geven nu, in vergelijking met het topjaar 1987, zestig miljard dollar minder aan defensie uit. Ruslands militair-industrieel complex is geen schim meer van dat van de vroegere Sovjet-Unie en ook in de Europese defensie-sector zijn honderdduizenden arbeidsplaatsen verloren gegaan. Nu de thuismarkten in gestaag tempo krimpen, zit er voor de wapenproducenten nog maar één ding op om het hoofd boven water te houden: exporteren. “Iedereen weet dat we binnenslands moeilijke tijden doormaken. De uitdaging ligt in het buitenland”, zei Pierre Poquin, president van GICAT, de overkoepelende organisatie van de Franse producenten van legeruitrusting, in zijn openingstoespraak.

'Vredesdividend' is in de defensie-sector van veel landen dan ook een lelijk woord. Eigenlijk hebben alleen de VS hun exportvolume op niveau weten te houden. De Golfoorlog bood de beste reclame die er is: Amerikaanse wapentechnologie bleek verreweg superieur aan het Iraakse materieel, dat grotendeels afkomstig was uit de voormalige Sovjet-Unie. De VS zagen hun aandeel in de internationale wapenexport de afgelopen tien jaar groeien van een kwart naar meer dan de helft: het absolute bedrag bleef daarentegen ongeveer gelijk. Het leeuwedeel van de bestellingen kwam van de Golfstaten - als dank voor Desert Storm - maar ook Europa en Japan zijn nog steeds goede klanten. Voor state-of-the-art wapentuig blijft een marktsegment bestaan en doordat veel Amerikaanse ondernemingen de krachten hebben gebundeld, blijft de Amerikaanse defensie-industrie in de wereld de toon aangeven.

Rusland is er daarentegen zwaar aan toe. Toen de Sovjet-Unie uiteen viel, kwamen Oekraiense en Georgische toeleveringsbedrijven plotseling in het buitenland te liggen. Toevoer van onderdelen stokte en de staat betaalde de rekeningen aan de industrie niet meer. De politieke situatie was ook niet stabiel te noemen. Niemand wilde nog grote bestellingen plaatsen bij het land dat een gestage toevoer van reserve-onderdelen niet kon garanderen. Tot overmaat van ramp voor de Russische wapenleveranciers waren de traditionele cliëntstaten, zoals Syrië en Libië, krap bij kas komen te zitten. Gevolg: de Russische wapenexport daalde van meer dan 15 miljard dollar naar een schamele 1,7 miljard dollar in 1994. Sinsdien gaat het echter langzaam weer iets beter.

De Russische defensie-industrie is zelfs vaste gast geworden op de belangrijkste internationale wapenbeurzen, zoals Eurosatory '96. De teloorgang van de Russische export ligt volgens woordvoerder Valery Pogrebenkov van de centrale export-organisatie Rosvoorouzhenie aan de 'onhandige marketing-technieken'. Dat is nog zwak uitgedrukt. Toen Maleisië begin jaren negentig belangstelling toonde voor de aanschaf van achttien MiG-29 gevechtsvliegtuigen meldden zich evenzoveel Russische vertegenwoordigers bij het Maleisische ministerie van Defensie, onder wie een populaire Russische rock-zanger. Pogrebenkov: “Inmiddels hebben we tegen dit soort misstanden maatregelen genomen. De verkoop wordt nu centraal gecoördineerd. En dat begint vruchten af te werpen, want inmiddels hebben we bijvoorbeeld T-80 tanks - de beste ter wereld - verkocht aan Cyprus en geavanceerde Smerch-raketlanceerders aan Koeweit. En Maleisië kocht alsnog onze MiG's.” In 1995 verkochten de Russische fabrikanten weer voor 3 miljard dollar aan het buitenland. Vooral aan India en China, die volgens Pogrebenkov samen goed waren voor circa 70 procent van het totale volume.

Op de meest lucratieve markten, die van het Midden-Oosten en van de landen langs de Stille Oceaan, krijgen de Russen daarentegen nauwelijks een voet tussen de deur. hier domineren nog steeds de Amerikaanse leveranciers. Als er Russische wapens door landen in deze regio's worden besteld, spelen commerciële en kwalitatieve overwegingen nauwelijks een rol. Volgens militaire analisten bestelde Koeweit de Russische Smerch om Moskou financieel en dus politiek aan zich te binden. Om dezelfde reden sloot Koeweit ook langlopende miljardencontracten af met andere permanente leden van de Veiligheidsraad van de VN.

Daarnaast betaalt Rusland schulden af met militaire hardware. Finland kreeg luchtafweerraketten in plaats van een achterstallige aflossing, Zuid-Korea moest genoegen nemen met tanks en pantservoertuigen in plaats van geld en crediteur Hongarije ontving MiG's als terugbetaling. De Russische minister van defensie-industrie Zinovy Pak verwacht rond de eeuwwisseling voor 10 miljard dollar te exporteren, maar Pogrebenkov meent dat de 'minister een optimist is'.

De Europese defensie-industrie maakt eveneens moeilijke tijden door. De goudmijn die de oorlog tussen Irak en Iran voor de industrie was, bestaat al lang niet meer. De Britse wapenindustrie kreeg deze week voor circa negen miljard gulden aan orders van de eigen regering waardoor 5000 arbeidsplaatsen bij voornamelijk grote bedrijven zoals British Aerospace en GEC voorlopig veilig zijn gesteld. Verder drijven de Britse producenten nog op enkele grote bestellingen van Saoedie-Arabië en andere Golfstaten, maar het einde daarvan is in zicht.

Voor de Franse wapenindustrie geldt hetzelfde. In de nabije toekomst zijn er nog revenuen van de grote contracten met Taiwan voor Mirage-gevechtsvliegtuigen en Lafayette-fregatten, met Pakistan voor Agosta-onderzeeërs en met de Verenigde Arabische Emiraten voor Leclerc-tanks. Maar wat daarna komt, is onduidelijk. Je kunt geen militair tijdschrift openslaan of er staat een pagina's tellende advertentie in voor de nieuwe Rafale-jachtbommenwerper, maar de export-toekomst van het toestel is allerminst verzekerd. De thuismarkt liep kort geleden nog een deuk op doordat president Chirac besloot om belangrijke wapenprogramma's, waaronder enkele multinationale Europese ontwikkelingsprojecten, over een groter aantal jaren uit te smeren.

De gevolgen voor de rest van de Europese wapenindustrie blijven niet uit. De Duitsers en Britten hebben weinig zin om op te draaien voor de meerkosten die een kleiner Frans aandeel met zich meebrengen. Maar veel recht van spreken hebben deze landen niet: om toerbeurt trekken ze zich geheel of gedeeltelijk terug uit allerlei Europese multilaterale programma's zoals die voor de ontwikkeling van het Europese FLA-transportvliegtuig, het Horizon-fregat of het Eurofighter-gevechtsvliegtuig. Bezuinigingen op de Duitse defensiebegroting gaan deels ten koste van Frans-Duitse militaire samenwerkingsprojecten.

In navolging van hun Amerikaanse concurrenten bundelen ook de Europese wapenfabrikanten noodgedwongen hun krachten. Dassault Aviation, producent van de Mirage-gevechtsvliegtuigen, en Aerospatiale zijn kort geleden door de Franse overheid gedwongen te fuseren. Op de Parijse defensie-beurs circuleerde het gerucht dat het Franse defensie-elektronica-bedrijf Thomson-CSF, waarvan ook het in Hengelo gevestigde Hollandse Signaal Apparaten deel uit maakt, overgenomen zal worden door British Aerospace.

Ook een snelle en naadloze fusie van de sterkste Europese defensie-ondernemingen zal de Amerikaanse concurrentie niet kunnen neutraliseren. Het échec van het buy European-idee van Frankrijk en Duitsland werd nog eens onderstreept toen Nederland en Groot-Brittannië hun voorkeur uitspraken voor de Amerikaanse Apache-gevechtshelikopters. Bij alle grote contracten die in de wereld nog te vergeven zijn, zijn de Amerikanen op zijn minst goede kanshebbers.

Toch heeft het einde van de Koude oorlog ook goed nieuws voor de wapenindustrie opgeleverd. In beginsel liggen de wederzijdse markten nu voor de voormalige tegenstanders open. Doordat de wereld niet meer in twee invloedsferen is verdeeld, worden nu samenwerkingsovereenkomsten getekend tussen partijen die vroeger niets met elkaar te maken wilden hebben. Dat heeft de nodige odd couples opgeleverd.

Op Eurosatory '96 sprak een vertegenwoordiger van Armscor, de grootste Zuidafrikaanse defensie-onderneming, enthousiast over een project om een Russische Klimov-straalmotor in te bouwen in een Mirage F-1. “Niet lang geleden vochten we nog tegen de Russen in Angola en nu beproeven we hun Klimovs. Er zijn in de wereld een heleboel luchtmachten die vliegen met deze Mirages, dus wellicht dat we ze voor de Russische motor kunnen interesseren. De Franse SNECMA-motoren die erin thuishoren zijn weliswaar goed, maar ze zijn duur en vergen veel technische zorg. Die Russische motor zuipt dan wel kerosine en hij laat een condensstreep achter, maar daar staat tegenover dat hij het altijd doet en goedkoop is.”

De liaison tussen Rusland en Zuid-Afrika is niet de enige merkwaardig aandoende combinatie. er zijn er meer: Israel en Rusland werken samen aan een Chinees gevechtsvliegtuig, Italië levert de elektronica voor een trainervliegtuig voor de Russische luchtmacht en Turkije gaat samen met Roemenië een pantservoertuig produceren. De meeste van deze curieuze combinaties zijn gericht op de voormalige landen van het Warschau-Pact, zoals Hongarije en Polen. Die willen niets meer met de Russen te maken hebben en zo snel mogelijk lid worden van de NAVO. Dat geeft echter niet alleen politieke problemen. De strijdkrachten van deze landen zijn nog uitgerust met oud Sovjet-materieel en er is geen geld om een nieuwe westerse uitrusting aan te schaffen. Polen had bijvoorbeeld in de defensiebegroting voor 1995 een post van zo'n veertig miljoen gulden opgenomen voor de aankoop van nieuwe wapens. Dat is genoeg om één F-16 te kopen.

De enige optie voor deze landen om toch NAVO-compatible te worden, is modernisering van hun arsenalen te moderniseren met westerse elektronica en andere uitrusting. Vooral de T-72-tank, waarvan er in Oost-Europa ongeveer vijfduizend rondrijden, is een belangrijk doel voor de westerse wapenfabrikanten. Bijna alle landen doen er aan mee, ook Nederland: Stork-Wärtsila heeft een diesel-motor voor dit type tank in de aanbieding. “Die landen komen vroeg of laat bij de NAVO”, zegt een exportmanager van het Belgische SABCA dat vuurleidingssystemen en nachtzichtapparatuur voor de Russische tanks verkoopt. “Wanneer ze onze elektronica kopen, zijn ze in ieder geval al gedeeltelijk volgens NAVO-standaard uitgerust.”

Maar behalve dat de spoeling op de Oosteuropese markt al akelig dun is, ontbreken zelfs de financiën voor het opwaarderen van het Russische materieel. SABCA heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de Slowaakse bedrijf ZTS voor de verkoop van de Moderna-tank, een T-72 met SABCA elektronica. “Het Slowaakse leger wil best een aantal van onze Moderna's kopen, maar het heeft geen geld. Wel hebben ze gezegd dat ze een bescheiden bestelling willen doen als we deze tanks in het buitenland weten te verkopen. We zijn nu in de race voor een order uit Maleisië, dus wie weet.” Maar SABCA is in Maleisië ook weer niet de enige. De Belgische onderneming moet het onder andere opnemen tegen een Poolse T-72 met een Zuidafrikaans vuurleidingsysteem.

Naast de geldschaarste en de hevige concurrentie valt er nog een donkere schaduw over de vooruitzichten van de Europese wapenexporteurs naar de Oosteuropese afzetgebieden. De Amerikaanse defensie-industrie heeft onlangs een waar verkoopoffensief in de voormalige Warschau-Pactlanden gelanceerd. Tegen dumpprijzen bieden ze Polen, Tsjechië, Hongarije en Slowakije tweede-hands of overtollige F-16's aan. Dat aanbod kunnen ze makkelijk doen: in de VS zijn 350 van deze toestellen overbodig geworden. De Amerikaanse regering heeft Polen al een no-cost-lease overeenkomst in het vooruitzicht gesteld, waarbij het land anderhalf jaar voor niets met de F-16's zou mogen rondvliegen. Als ze de Poolse luchtmacht bevallen, zou Warschau de toestellen voor een symbolisch bedrag mogen kopen.

De Europese wapenhandelaren vrezen dat hun produkten door de Amerikaanse dumppraktijken uit de markt worden gedrukt. En met reden: Roemenië kocht begin dit jaar niet minder dan 96 Amerikaanse Cobra-aanvalshelikopters. De Britse, Franse en Duitse defensie-ondernemingen hebben noch de financiële armslag, noch de politieke ruggesteun om zich ruimhartige offertes nmaar Amerikaans model te kunnen permitteren.

    • Menno Steketee