Tribune

De minimumleeftijd bij het olympische vrouwenturnen is veertien jaar. Om op die leeftijd te kunnen pieken moeten meisjes al voor hun tiende lange en intensieve trainingsarbeid verrichten. Is dat wel zo gezond en verantwoord?

Ton Veldkamp, beleidsmedewerker Raad voor de Kinderbescherming: “Als ik de beelden van het turnen op tv zie, dan vraag ik me af of dat allemaal nou zo nodig moet. Het lijkt me niet heel gezond voor een kind. Ieder kind heeft recht op sport en ontspanning, maar het moet er wel plezier aan beleven. Ik heb de indruk dat bij veel takken van sport ouders grote druk op kinderen leggen om topprestaties te leveren.”

Hans van Zetten, oud-turntrainer en verslaggever voor de NOS in Atlanta: “De meeste turnsters beginnen als zij zeven jaar oud zijn. Om topsporter te worden, moeten zij vanaf hun tiende minimaal 25 uur per week trainen. Na de Spelen van 1976 kwam de trend om kleine turnsters te selecteren. Kleine meisjes kunnen na een draai makkelijker hun lichaamsdelen hergroeperen dan grote meisjes. In de turnzaal kom je dan ook geen basketbalmeisjes tegen.”

Theo Becks, vader van oud-turnster Elvira Becks: “Omdat Elvira erg bewegelijk was en haar energie bij zwemmen niet kwijt kon, is zij op haar negende gaan turnen. Vanaf haar tiende was zij daar gemiddeld zes dagen per week mee bezig. Ik heb nooit gedacht dat het ongezond was. Ze is altijd goed begeleid, door haar trainers, door de bondsarts, en door ons. Tijdens een turncarrière wordt de puberteit van een meisje uitgesteld. Dat vonden wij niet erg, want er is later nog tijd genoeg om vrouw te kunnen zijn. Elvira is nu twintig en ze heeft een normale lichaamsbouw.”

Tom Brandon, bondsarts Koninklijke Nederlandse Gymnastiekbond: “Medisch gezien bestaan er geen ernstige bezwaren als je de regels hanteert. Ik heb helaas meegemaakt dat er nogal eens wat grenzen zijn overschreden, vooral in het buitenland. In Nederland worden de meisjes uit de bondsselecties onderworpen aan een periodieke medische keuring. Soms is het nodig om de handrem aan te trekken. Bijvoorbeeld als een meisje van onder de tien jaar meer dan achttien uur per week traint. Veel oefeningen zijn namelijk aan de zware kant. In het buitenland worden turnsters puur op hun kleine lichaamsbouw uitgezocht, en dat zal lang niet altijd op vrijwillige basis gebeuren.”

Ans van Gerwen, oud-topturnster, nam deel aan de Olympische Spelen in 1972 (München) en 1976 (Montréal): “Zolang de begeleiding goed is, bestaat er geen gevaar. Ik kan me voorstellen dat mensen bij het zien van turnwedstrijden soms denken: dat kan helemaal niet. Ik kan uit eigen ervaring zeggen: het kan wel! Als je de trainingen goed opbouwt, zijn het geen zware oefeningen. Dan voel je je er fit bij. Topsport is goed voor de gezondheid! In mijn tijd waren er ook veel jonge en kleine meisjes bij. Zij kennen geen angst, hebben een laag zwaartepunt en zijn heel lenig. Ik zie trouwens liever een meisje van 1.50 meter aan de rekken hangen, dan een dikke vrouw met borsten als meloenen.”

Dick Sol, bestuurslid opleidingen KNGB: “Bij turnen geldt: hoe kleiner, hoe beter. Bij turnsters worden de secundaire functies, zoals menstrueren, vertraagd. Het is breed vastgesteld dat dat achteraf geen kwaad kan. Ik heb de Russin Olga Korbut meegemaakt toen zij negentien jaar was. Zij was toen heel klein en had geen borsten. Een jaar later, toen zij was gestopt met turnen, zag ik haar trouwfoto en toen bleken alle ingrediënten wel aanwezig. Zolang de training gecontroleerd wordt, hoeft er geen gevaar te zijn. Het kunstmatig klein houden van turners hoeft ook niet ongezond te zijn, maar is ethisch onverantwoord. Het grote gevaar bij turnen op jonge leeftijd is overbelasting. Problemen, fysiek of psychisch, moet je snel signaleren. Als dat lukt is er weinig aan de hand. Een kind dat intensief turnt heeft doorgaans een gezonder leven dan een kind dat helemaal niets doet.

Margreet Wagenaar, voorzitter Nederlandse Vereniging voor Jeugdgezondheidszorg: “Het kan niet gezond zijn om nog niet uitgegroeide meisjes zulke ingewikkelde oefeningen te laten doen. Op het lichamelijke vlak heb ik mijn twijfels of het wel goed is voor de gewrichten. Ik kan mij voorstellen dat op latere leeftijd verkalking en slijtage van de gewrichten optreedt. Psychologisch en sociologisch kan het niet goed zijn om 25 uur per week te trainen. Een kind moet gewoon touwtje kunnen springen in plaats van met een hand aan een rekstok hangen. In Nederland bestaan genoeg ouders met gezond verstand om dat niet toe te staan. Ik zal het in elk geval mijn dochter niet laten doen.”

    • Philip de Witt Wijnen