Scepsis over plannen voor lerarenopleidingen

Een plan van aanpak voor de lerarenopleidingen dat begin deze week werd gepresenteerd is op de hogescholen met gemengde gevoelens ontvangen. De noodzaak tot revitalisering van de opleidingen wordt alom erkend, maar de haalbaarheid van de gedane voorstellen betwist.

NIJMEGEN, 29 JULI. De opleidingen voor leraren in het basisonderwijs (pabo's) en die voor leraren in het voortgezet onderwijs moeten komen tot samenwerking in grotere eenheden. Dat is de kern van het plan van aanpak dat de afgelopen week werd gepresenteerd.

Een pabo zou ten minste duizend studenten moeten tellen, en voor de opleiding tot leraar in het voortgezet onderwijs zouden de jaargroepen per vak minimaal honderd studenten moeten tellen. In uitzonderingsgevallen zou volstaan kunnen worden met zestig, mits daarvoor goede argumenten kunnen worden aangevoerd. Onder leiding van een 'Procesmanagement lerarenlopleidingen' wordt het landschap van de lerarenopleidingen aldus in snel tempo herverkaveld, zo is de bedoeling.

Hoewel dit proces formeel onafhankelijk van minister Ritzen (Onderwijs) in gang wordt gezet, voelen de betrokkenen de druk vanuit het departement. Algemeen faculteitsdirecteur J.Th.J.J. Frik van de Hogeschool voor Arnhem en Nijmegen laat daarover geen misverstand bestaan. “Die druk is groot, omdat de politiek er bovenop zit.” In een overleg met de Tweede Kamer repte minister Ritzen al van fusies die “onontkoombaar” zijn, en sommige Kamerleden gingen zelfs zo ver dat zij pleitten voor een landelijk, schriftelijk eindexamen voor leraren.

Frik heeft zich flink geërgerd aan die “meer dan verregaande betutteling” van de kant van de Tweede Kamer. Het gevolg van zo'n examen zou volgens hem zijn dat iedereen dan de studenten slechts voor die toetsing gaat opleiden.

Hij constateert wel met genoegen dat de kritiek op de pabo's wat is afgenomen. Na de rapporten van de visitatiecommissie over de pabo's lijkt men iets meer gerustgesteld, aldus Frik. “Maar dat ligt anders bij de lerarenopleidingen voor het voortgezet onderwijs. Daar wil men het mes in zetten.”

Het verdriet hem dat in een eerdere fase de opleidingen voor eerstegraads leraren, zoals die verzorgd worden door de universiteiten, buiten schot zijn gebleven. Alle aandacht richt zich nu op de tweedegraads lerarenopleidingen in het hoger beroepsonderwijs.

De problemen daar zijn intussen niet gering: te kleine klassen, soms gekunstelde combinaties van opleidingen, onvoldoende gemotiveerde studenten, en een zwakke positie op de arbeidsmarkt. Wie graag leraar wil worden, komt als jonge, beginnende leraar maar moeilijk aan de bak. Bovendien bereiden de aankomende leraren zich nog maar voor op één vak. De zogenoemde tweevakkigheid is jaren gelden afgeschaft. Het gevolg is al met al een enorme versnippering van de lerarenopleidingen.

In Nijmegen en Arnhem hebben de lerarenopleidingen niet gewacht op de dwingende hand van de minister, maar zijn de Hogeschool Gelderland, de Hogeschool Nijmegen en de heao in Arnhem zo'n anderhalf jaar geleden begonnen met een samenwerking, die is uitgemond in een complete fusie. Voor de pabo's hebben ze de zaken in Arnhem en Nijmegen op orde. Waren er eerst nog twee pabo's in beide steden, met ingang van het nieuwe schooljaar heeft Nijmegen één katholieke en Arnhem één algemeen bijzondere pabo, waarin ook de kleinere protestants-christelijke is opgenomen. Die twee pabo's, samengebracht onder de paraplu van de nieuwe Hogeschool voor Arnhem en Nijmegen, hebben samen circa 1.200 studenten. Vanuit het departement en de Kamer valt hier dus weinig meer te vrezen. Aan de opzet van het Procesmanagement lerarenopleidingen is ten aanzien van de pabo's voldaan.

Maar de opleidingen voor tweedegraads leraren is een ander verhaal. Frik heeft grote twijfels over de nu voorgestelde schaalgrootte. “Een jaarklas van honderd leerlingen per jaar is onhaalbaar. Maar ja, die getallen moet je noemen om de politiek gerust te stellen. Maar die getallen leveren niet de oplossing.”

In de praktijk blijkt dat veel HBO-studenten dichtbij het ouderlijk huis een opleiding zoeken, wat ook blijkt uit tal van onderzoeken. Frik: “Je zou voor vakken als natuurkunde, scheikunde en economie studenten uit het hele land op één punt bijeen moeten brengen, maar zo werkt dat niet. Die honderd zijn er, bijvoorbeeld voor natuurkunde, sowieso te veel. Die studenten gaan er niet naar toe, ze zijn niet zo mobiel. Ik voorzie daarom bij die opzet capaciteitsproblemen. Er komen dan te weinig studenten.”

De problemen met de te kleine klassen zijn ook in Nijmegen en Arnhem opgevangen met gecombineerde klassen, en ook zijn opleidingen geheel of gedeeltelijk de deur uit gedaan. De studenten die leraar Frans wilden worden, gingen bijvoorbeeld naar de Katholieke Universiteit Nijmegen om daar mee draaien in de taalvaardigheidstraining. Voor de hogeschool pakte dat goed uit, ook omdat universitair studenten die niet zoveel zagen in de wetenschappelijke benadering van het vak, alsnog kozen voor de lerarenopleiding en de oversteek maakten naar de hogeschool. Frik: “Dat was eerst een nood, later een deugd. Het was niet alleen doelmatiger, maar kwalitatief ook beter.” Een ander voorbeeld is scheikunde, waarbij de studenten verkasten naar het Hoger Laboratorium Onderwijs, en economie, waar studenten overstapten naar het HEAO.

Het is Frik opgevallen dat in het plan van aanpak een financiële en een personele paragraaf ontbreken. De lerarenopleidingen hebben intussen te maken met een hoge mate van vergrijzing. De docenten zitten voor 60 à 75 procent in de groep van 45-55 jaar. Maar per docent krijgt een HBO-instelling gemiddeld zo'n 100.000 gulden vergoed, terwijl de oudere leraren - het gros dus - gemiddeld zo'n 120.000 gulden kosten. Zonder een “eenmalig financieel arrangement' voor de nieuw in te stellen onderwijsregio's voorziet Frik onoverkomelijke problemen bij de uitvoering van het plan van aanpak.

Overigens is Frik wel bijzonder te spreken over het voorstel om een register van leraren aan te leggen. “Daar ben ik heel enthousiast over. Zo'n register is niet vrijblijvend. Je kunt leraren dan aanspreken op de noodzaak zich bij te scholen. En wie daar geen zin in heeft, zou eruit kunnen vallen. Bovendien werkt het statusverhogend.”

    • Koos Metselaar