Kruistocht tegen het rode gevaar

ANNE BLAIR: Lodge in Vietnam. A patriot abroad

200 blz., geïll., Yale University Press 1995, ƒ 52,10

Over de Amerikaanse oorlog in Vietnam zijn al vele boekenkasten volgeschreven, maar nog steeds zijn er auteurs die nieuwe stof vinden om de oorzaken, het verloop en de blunders in deze geschiedenis opnieuw te beschrijven. Zo heeft de Australische historica Anne Blair een boek geschreven over het (eerste) ambassadeurschap van Henry Cabot Lodge jr. in Vietnam tijdens de cruciale maanden van augustus 1963 tot juni 1964 vlak voor de escalatie van (de Amerikaanse deelname aan) de oorlog tussen Zuid- en Noord-Vietnam.

Lodge was een telg uit een beroemd Amerikaans regentengeslacht; zijn grootvader, de isolationistische senator Henry Cabot Lodge sr., was een boezemvriend van president Theodore Roosevelt en de politieke aartsvijand van Woodrow Wilson en diens Volkenbond. Na in zijn jonge jaren een tijdje de conservatieve ideeën van zijn grootvader en opvoeder te hebben aangehangen, raakte Lodge jr. tijdens zijn werk in en na de Tweede Wereldoorlog als verbindingsofficier in Frankrijk overtuigd van het nut van de Verenigde Naties en de Amerikaanse bemoeienis met de internationale politiek. Met een fors familiekapitaal (en dat van zijn vrouw) achter de hand was werken niet iets wat Lodge deed voor het geld, maar uit gevoelens van vaderlandsliefde en noblesse oblige. In de jaren vijftig had Lodge met deze houding en met zijn gevoel voor het bespelen van de media, een glansrol gespeeld als Amerikaanse ambassadeur bij de VN. Soepeltjes en charmant had hij steeds, zonder noemenswaardige informatie los te laten, de pers gevoed met het beeld van het goede, welwillende Amerika tegenover de starre, slechte communisten van de wereld.

Republikein

Het vreemde aan Lodges benoeming als ambassadeur in Vietnam is dat hij als Republikein van zestig werd uitgezonden door de Democratische president Kennedy, die verder juist allemaal jonge mensen om zich heen verzamelde. Al is het niemand helemáál duidelijk wat JFK met deze oude aristocraat wilde, Blair weet aannemelijk te maken dat de keus voor een goed deel was gebaseerd op de wens om het dreigend gevaar van een militair en politiek fiasco in Vietnam niet alleen op de regerende Democraten te laten neerkomen. Door een Republikeinse ambassadeur naar het gebied te sturen, werd de nadruk van de Amerikaanse betrokkenheid aldaar gelegd op het onpartijdige belang van containment van het communistisch gevaar in Azië.

Onder het mom van nobel patriottisme, immers, volgens de domino-theorie stond in Vietnam het voortbestaan van de Amerikaanse vrijheid op het spel, manipuleerde Lodge in Saigon niet alleen de pers, maar ook het Vietnamese leger en de regering. Door een sluw spel van zwijgen tegenover de regering-Diem en het indirect aanmoedigen van een coup door Amerikaansgezinde generaals, bereikte Lodge binnen enkelen maanden na zijn aankomst in Vietnam zijn, naar later bleek kortzichtige, doel. Op de ochtend van de coup, die Lodge mede had gestuurd, maar waar hij formeel niets vanaf wist, sprak de ambassadeur nog met president Diem, en bood hem en zijn broer Nhu een veilige aftocht onder Amerikaanse bescherming aan. Ondertussen steunde hij de interpretatie dat Diem en Nhu op het punt zouden hebben gestaan het met het communistische Noord-Vietnam op een akkoordje te gooien, terwijl de opstandige generaals, helemaal zonder Amerikaanse bemoeienis, dit grote gevaar hadden afgewend.

Toch vond Lodge niet dat zijn gedrag als imperialistische inmenging moest worden beschouwd. Het was de containment-ideologie die de Amerikaanse aanwezigheid rechtvaardigde - Lodge deed niets anders dan werken aan de veiligheid van de natie en was dus een goed patriot en geen koloniaal zoals de Fransen, die in Zuidoost-Azië slechts op prestige en matrieel gewin uit zouden zijn.

Bij al het gemanipuleer had Lodge (en hadden zijn politieke superieuren in Washington) echter over het hoofd gezien dat de generaals die nu aan de macht waren geholpen geen samenhangende ideeën hadden over het landsbestuur of zelfs maar over de te volgen militaire strategie tegenover het noorden. Bovendien bleken deze generaals net zo goed als de vorige heersers corrupt en tot nepotisme geneigd, terwijl ze in de praktijk ook niet zo strak aan de Amerikaanse leiband liepen. Kortom, de verbetering ten opzichte van de regering-Diem was twijfelachtig.

Toch dacht Lodge dat zijn werk er na het verdrijven van Diem en Nhu in november 1963 op zat. Maar met een wankel generaalsregime in Saigon en geen enkele verbetering in de oorlogsvooruitzichten, waren de Amerikaanse doeleinden nog even ver buiten bereik als voorheen. Een Republikeinse ambassadeur, die goed de pers kon paaien was meer dan ooit nodig in Saigon, nu Amerikaanse verslaggevers als Halberstam steeds verontrustender verhalen naar huis stuurden.

Gerommel

Op dit punt, in november 1963, zou het verhaal spannend kunnen worden; de vraag die nog steeds de gemoederen beroert is of Kennedy nu voor of tegen opvoering van de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam was, of dat Johnson na de moord op JFK alléén verantwoordelijk was voor de escalatie van het conflict. Helaas komt Blairs betoog niet goed los van de gedetailleerde reconstructie van Lodges denken en doen, waardoor plaatsing in het groter kader van de Amerikaanse presidentiële politiek achterwege blijft.

De uitkomst van alle verdere gerommel in Washington en Saigon was uiteindelijk dat gekozen werd voor intensieve Amerikaanse bombardementen op Noord-Vietnam en het sturen van eerst nog duizenden militaire adviseurs, later tienduizenden Amerikaanse soldaten om de oorlog snel te beslissen. De besluitvorming lag nu ver boven het niveau van de ambassadeur.

Het is moeilijk uit maken of het gebrek aan inzicht in de grotere politieke lijnen van de escalatie van de Vietnam-oorlog vooral bij ambassadeur Lodge lag of bij de historiografe van zijn eerste missie in Saigon. Door dat geringe inzicht is Blairs boek hoogstens een interessant, maar geen spannend of verrassend verslag van dit cruciale moment in de Amerikaanse naoorlogse geschiedenis geworden.

De indruk die Lodge in Vietnam nu achterlaat is dat Kennedy wel aanvoelde dat het goed mis kon gaan in Vietnam, en in november 1963 op het punt stond om voor de optie van snel, sterk ingrijpen te kiezen - een bestrijding dus van de positie van de Kennedy-fans die beweren dat het zonder de moord op JFK allemaal anders en beter voor de Amerikanen zou zijn afgelopen.

Wat betreft Henry Cabot Lodge, biedt dit boek een vrij ontluisterend beeld van een man die verslaafd is geraakt aan zijn eigen methode van vereenvoudiging van ieder probleem voor de pers; hij leek zelf te gaan geloven in zijn gladde verklaringen en was te loyaal aan zijn bazen om verstandige adviezen te geven op basis van wat hij zag in Saigon.

In momenten van twijfel vermoedde hij wel dat de verhoudingen in Zuidoost-Azië niet zomaar naar de Amerikaanse hand gezet konden worden en hij bleef steeds adviseren tegen het inzetten van grondtroepen en vóór het gebruik van de technische overmacht van de VS.

Maar belangrijker was zijn geloof in het einddoel dat vrijwel alle middelen rechtvaardigde; de bestrijding van het communisme in dienst van vaderland en democratie. Zo goed als Lodge nooit aan het gezag van de Amerikaanse president zou tornen, zo kon hij ook gewoonweg niet geloven dat in Vietnam niet het goed het kwaad bestreed, dat Noord-Vietnam helemaal niet van Chinese steun gediend was of dat het communisme in Noord-Vietnam slechts een plaatselijke politieke variant was, die, met rust gelaten, geen enkele dreiging voor de omringende landen hoefde te betekenen.

En zo blijkt dat Lodge met al zijn tekortkomingen waarschijnlijk precies de vertegenwoordiger was die de Amerikaanse regering verdiende: op basis van de verkeerde veronderstellingen en misplaatst patriottisme steeds verder meegaand in de ongelukkige Amerikaanse kruistocht tegen het rode gevaar.