Italie; Vlammen laaien op in zwoele Italiaanse zomernachten

ROME, 27 JULI. Wie op een zwoele zomernacht rondtoert in de heuvels ten noorden van Rome stuit vaak op een sprookjesachtig tafereel: lange linten van oranje en gele vlammen, vuur dat langzaam een helling afglijdt. Alsof een stoet middeleeuwse ruiters met fakkels over de akkers trekt.

Vuur hoort bij de droge en hete zomer in Italië. De vlammen op kaalgeoogste akkers zijn meestal goedaardig, aangestoken door een boer die zijn grond wil afbranden en die wacht tot wind en temperatuur zo zijn dat er geen gevaar dreigt.

Veel andere zomerbrandjes zijn het gevolg van nonchalance. Naarmate de zomer vordert zie je langs de wegen die naar Rome leiden de berm steeds zwarter worden. Iedere dag is er wel een brandje doordat iemand zijn brandende peuk uit het raam gooit. Voor veel Italianen is de openbare weg immers een vergaarbak voor peuken, papieren zakdoekjes, lege flessen mineraalwater en wat ze allemaal nog meer niet in hun auto willen houden.

Hierbij blijft de schade vaak beperkt. Met dezelfde zaktelefoon die wordt gebruikt om te vertellen dat de pasta op het vuur kan, kan ook de brandweer snel worden gewaarschuwd. Het echte probleem in Italië zijn de enorme branden in natuurgebieden, op afgelegen hellingen, in moeilijk toegankelijke bossen. En het ergste is dat de meeste van deze branden worden aangestoken.

Eerder deze maand, toen er een harde wind over Italië blies, woedden er op zeven plaatsen in het midden en zuiden van het land grote branden die waarschijnlijk allemaal zijn aangestoken. Op het schiereiland Argentario, waar ook Porte Ercole ligt, het zomerverblijf van prinses Juliana. Op de Gargano, een prachtig natuurgebied. Op de hellingen van de Vesuvius, op het eiland Ponza, bij Taormina op Sicilië, bij Metaponto in het zuiden, in de bergen van de Abruzzen.

In een paar dagen is meer dan duizend hectare bos in rook opgegaan. En Sardinië, een notoire brandhaard 's zomers, heeft nog nauwelijks meegedaan. De afgelopen 25 jaar zijn er gemiddeld ieder jaar tienduizend branden geweest. Daarbij is 120.000 hectare, voor bijna de helft bos, door de vlammen vernield. Volgens een ruwe schatting kosten de branden de schatkist ongeveer een miljard gulden per jaar. Er zijn vele redenen die iemand ertoe kunnen zetten om een stuk bos in brand te steken. Af en toe zijn het pyromanen, mensen die gebiologeerd worden door het geloei van vuur, door het geknetter van hout, door de grillige patronen die de vlammen door de donkere nacht trekken. Soms zijn het teleurgestelde minnaars, zoals de in de steek gelaten man die alle mooie plekjes op het eiland Ponza in brand stak waar hij met zijn ex-vrouw gelukkig was geweest.

Maar vaker zijn het mensen die er een economisch belang bij hebben. Op Sardinië zijn bijvoorbeeld grote stukken bos in brand gestoken door herders die nieuwe weidegrond nodig hebben voor hun schapen. Enkele eigenaars van villa's aan zee zijn betrapt op brandjes die precies dat stukje bos vernielden waar ze toevallig een zwembad wilden aanleggen. En op grotere schaal zijn de meest schilderachtige stukjes natuur langs de kust in brand gestoken om ruimte te maken voor villa's en vakantieparken - al heeft dat geen zin meer sinds een wet bepaalt dat een beschermd gebied met bouwverbod ook beschermd blijft als er brand is geweest.

Soms schuilt er een protest achter de vlammen: de enorme brand op de Argentario is mogelijk aangestoken door een actiegroep tegen een natuurpark in de buurt. Of het is een drukmiddel: sommige speculanten hebben branden georganiseerd in de hoop dat de eigenaars van villa's in het gebied hun buitenverblijf voor een zacht prijsje van de hand doen.

Met name in de armste gebieden van Italië betekent brandstichting ook een vorm van werkverschaffing. In de zuidelijke regio Calabrië, waar het korps van boswachters de enige mogelijkheid biedt een baan te bemachtigen, zijn berghellingen afgebrand omdat boswachters 's winters ook wat te doen willen hebben: schoonmaak en nieuwe aanplant, om erosie te voorkomen. In Sardinië zijn branden aangestoken door mensen en bedrijven die geld verdienen aan het bestrijden van branden of aan herbeplanting. Ook zijn er Sardijnse politici die ervan worden verdacht het vuur een handje te helpen omdat daardoor 's zomers meer mensen nodig zijn voor de tijdelijke brandweer. Zo zijn meer baantjes te vergeven in ruil voor een stem.

Al kan het ook in droge winterperiodes goed fikken, juli en augustus zijn de gevaarlijkste maanden. De brandweer rukt dan bijna dagelijks uit - voor het grotere werk met helikopters waaronder enorme tonnen met water hangen of met de Canadair vliegtuigjes die hun romp vol water scheppen en dat lozen boven de brandhaard.

Bijna alles is aangestoken, zei een brandweerman na de branden eerder deze maand. “Zelfontbranding bestaat niet. Of beter gezegd, dat komt voor wanneer het erg warm is en de gassen die bijvoorbeeld ontstaan in balen stro, in brand vliegen. Maar dat zijn balen stro, geen bossen.”

    • Marc Leijendekker