In de schaduw van JFK

IRVING BERNSTEIN: Guns or butter: The Presidency of Lyndon Johnson

606 blz., Oxford University Press 1996, ƒ 69,50

Menigeen zal zich na het lezen van de eerste honderdzeventien bladzijden van Guns or Butter: The Presidency of Lyndon Johnson afvragen of de Amerikaanse historicus, Irving Bernstein, zich niet in zijn keuze van de titel vergist heeft. In plaats van te openen met een bespreking van de overgang van het presidentschap van de vermoorde John F. Kennedy op Lyndon B. Johnson, begint de auteur met een diepgaande analyse van de enorme hoeveelheid wetten die gedurende Johnsons eerste ambtsjaar door het Congres aangenomen werd. The Civil and Voting Rights Acts, de belastingverlaging en overheidsmaatregelen, die samenhingen met de strijd tegen armoede, worden door Bernstein zelfs zo uitvoerig besproken dat het er op lijkt dat hij, in zijn enthousiasme het belang van de sociaal-economische betekenis van het beleid van de regering aan te tonen, een ding is vergeten: de rol van Johnson zelf.

Hoe ongewoon in biografisch opzicht de keuze voor een wetgevende analyse van Johnsons presidentschap ook mag zijn, legitiem is ze zeker. Van alle Amerikaanse presidenten heeft Johnson namelijk het meest gedaan voor de lotsverbetering van minderheden en sociaal-zwakkeren. Met zijn ambitieuze programma's van de 'Great Society' en 'War on Poverty' concretiseerde Johnson in nog geen drie jaar een overheidsbeleid dat bij zijn Democratische voorgangers Woodrow Wilson, Franklin D. Roosevelt, Harry S. Truman en John F. Kennedy hooguit als ideaal verwoord kon worden.

Indrukwekkend waren de maatregelen ter bestrijding van werkeloosheid en ongelijke inkomensverdeling, vergroting van de onderwijskansen en de instelling van een verplichte ziekteverzekering voor Amerikanen boven de vijfenzestig jaar, om nog maar te zwijgen van de betekenis van de wetten die aangenomen werden waardoor aan de openbare apartheid een einde werd gemaakt en zwarten meer politieke invloed kregen.

Dat Bernstein in de ontwikkeling van dit overheidsbeleid Johnson een plaats op de achtergrond toedicht, lijkt, naarmate het boek vordert, meer en meer op een welbewuste daad.

Volgens de historicus waren de meeste wetten die Johnson door het Congres loodste ontwikkeld door de regering-Kennedy en is het aannemelijk dat ook Kennedy in staat geweest moet zijn de wetgevende successen te boeken die Johnson ten deel vielen. Maar met deze redenering gaat de auteur voorbij aan de situatie dat Kennedy en het Congres beslist niet op goede voet stonden.

Onverschilligheid

Ondanks Johnsons succesvolle reaniminatie van de erfenis van Kennedy, weigert Bernstein zijn hoofdpersoon een prominente plaats toe te dichten in de 'wetgevende revolutie van 1964-1966'. Hoewel Bernstein Johnsons sociale bewogenheid onderschrijft, werd de president volgens de auteur voornamelijk gedreven door eerzucht en de behoefte zich van de schaduw van JFK te ontdoen. Natuurlijk was hij diep overtuigd van de noodzaak van een beleid van armoedebestrijding, “want, in tegenstelling tot de Harvards (de Kennedy's), had hij in zijn jeugd in de heuvels van Texas geleerd welke hoge prijs iemand voor zijn armoede moest betalen”. Ondanks dit besef, en zijn gesprekken met de 'armoede-economen' John Kenneth Galbraith, Leon Keyserling en Michael Harrington, kon Johnson niet betrapt worden op een ontwikkelde opvatting over het soort overheidsbeleid waarmee de armoede bestreden moest worden.

Johnsons onverschilligheid over de inhoud van zijn sociale beleid leek eerder regel dan uitzondering. Verwacht mocht worden dat de president, als gewezen onderwijzer, zich actief bezig zou houden met de ontwikkeling van voorstellen voor de federale hulp aan het onderwijs. Johnson had zich altijd voor zijn opleiding geschaamd, omdat hij, in plaats van een prestigieuze universiteit, het provinciaalse Texas State Teachers College had doorlopen.

Hij voelde zich ongemakkelijk in de nabijheid van de Kennedy's en het 'eastern-establishment' van 'liberal advisers'. Waar Kennedy een passie had voor goed onderwijs, was het voor Johnson een obsessie, want “goed onderwijs voor iedereen kon voorkomen dat anderen de schaamte zouden voelen zoals ik die gevoeld had”. Johnson beschouwde de Elementary and Secondary Education Act (ESEA) als de grootste triomf van zijn presidentschap, zij het dat het de president weinig interesseerde hoe de ESEA in werkelijkheid gestalte kreeg. Wanneer een medewerker hem vroeg welke criteria voor subsidie aan openbare scholen gehanteerd moesten worden, raakte hij steevast geïrriteerd en wees dan naar de muur van zijn werkkamer in het Witte Huis met de opmerking, we hebben onze trofee, niet zeuren. In deze context merkte presidentieel adviseur Joe Califano op dat Johnson wetten liet ontwikkelen, “zoals een kind chips eet. Toen ik eens uit het Witte Huis naar het ziekenhuis werd weggeroepen omdat mijn zoontje een buisje aspirines had ingeslikt, bemerkte ik dat tijdens mijn korte afwezigheid LBJ opdracht had gegeven een wet te ontwikkelen waarin strengere veiligheidseisen aan de verpakking van geneesmiddelen gesteld werden”. Het gevolg was dat in 1970 de 'Child Safety Act' werd aangenomen.

Façade

Hoewel Johnsons afstandelijkheid jegens de inhoud van het overheidsbeleid niets over de kwaliteit van dat beleid zegt, kan wel geconstateerd worden dat de wetgevende successenreeks, zoals die in 1964-1966 plaatsvond, tegelijkertijd de neergang inluidde van zijn presidentschap. De studentenprotesten en rassenrellen in 1967-68, het Amerikaanse debâcle in Vietnam en de grote inflatie sinds 1966, kunnen volgens Bernstein niet worden losgezien van het overmoedige gevoel dat Johnson overhield aan zijn geweldige verkiezingsoverwinning in 1964 op de Republikein Barry Goldwater.

Johnson vatte de 'landslide' op Goldwater niet alleen op als een bevrijding uit de schaduw van JFK, maar ook als een vrijbrief waarmee elk overheidsbeleid geïnitieerd kon worden. Dat Johnson zoveel waarde hechtte aan de overwinning op Goldwater was vreemd, want de Republikein voerde een campagne die vanaf het begin gedoemd was te mislukken.

Achter de façade van Johnsons geweldige verkiezingstriomf gingen echter scherpe sociale tegenstellingen schuil. Hoe is het anders te verklaren dat de president, die in de vorm van 'The Civil Rights and Voting Acts' zo'n belangrijke bijdrage leverde aan de politieke emancipatie van de zwarten, twee jaar later met rassenrellen geconfronteerd werd die in omgang zijn weerga niet kende? De oorzaak van de rassenonrust voerde terug naar de Democratische Conventie van 24 augustus 1964. Onder aanvoering van de burgerrechtenactivist Bob Moses en 'liberal' Joe L. Rauh hadden zwarten zich in de staat Mississippi georganiseerd en een delegatie afgevaardigd naar de conventie ter vervanging van de blanke vertegenwoordiging van hun staat. Uit angst voor een conflict met de zuidelijke Democraten weigerde Johnson de zwarte delegatie te erkennen en dreigde Rauh dat, indien hij zou doorgaan met die 'Mississippi-shit', zijn vriend Hubert Humphrey het vice-presidentschap kon vergeten. De afwijzing van de zwarte delegatie sterkte de activisten in hun overtuiging dat Democraten en liberals gemene zaak maakten met het zuidelijke racisme en dat betekende de radicalisering van de burgerrechtenbeweging. Johnsons pompeuze proclamatie van de 'The Civil Rights en Voting Acts' kon zijn afstand jegens de uitvoering van zijn beleid niet beter illustreren. Want op het moment dat hij beide wetten aankondigde had de burgerrechtenbeweging het vroege uitgangspunt, dat de rechten van de zwarten binnen het bestaande systeem geëffectueerd konden worden, vervangen door een beleid van confrontatie en geweld.

Klap

Volgens Bernstein kon Johnsons onverschilligheid jegens de inhoud van zijn beleid alleen maar verklaard worden uit de grootheidswaanzin waaraan hij leed. In zijn 'State of the Union' van 1964 had hij hoogdravend vele binnenlandse hervormingsprogramma's aangekondigd zonder aan te geven hoe de financiering ervan moest plaatsvinden. Om zijn 'Great Society' en, hiermee samenhangend, de presidentiële grootheid, niet in gevaar te brengen, wekte hij in 1964 bewust de indruk dat de oorlog in Vietnam niet op de begroting drukte, terwijl er in dat jaar 20 miljard aan uitgegeven was.

Dat hij het Congres amper over Vietnam raadpleegde en weigerde de belastingen te verhogen kwam volgens Bernstein voort uit zijn overtuiging dat hij zich als president niet druk behoorde te maken over 'a pissant sixth-rate nation' zoals Noord-Vietnam.

De afwezigheid van de formulering van zinnige oorlogsdoeleinden was het meest kenmerkend voor Johnsons regeringsbeleid. Ondanks het toenemende verzet tegen de oorlog verklaarde hij in zijn 'State of the Union' van 1966 dat Amerika de amerikanisering van de Vietnam-oorlog kon dragen. Als almachtig president dacht hij zijn natie van guns and butter te kunnen voorzien. En, concludeert Bernstein vernietigend, het is nog maar de vraag of Johnson daadwerkelijk besloten zou hebben zich niet herkiesbaar te stellen indien Robert F. Kennedy zich niet had warmgelopen voor de presidentsverkiezing van 1968. Toen Johnson vernam dat de 'Harvard-boy' ging meedoen aan de presidentsverkiezing van 1968, kreeg zijn gezicht een levenloze, asgrauwe uitdrukking. In een klap had Kennedy's schaduw zich meester gemaakt van Johnsons presidentiële grootheid.

    • Hans Veldman