Het landschap in de provincie: Overijssel; Hier spookt de jeneverbes

Hoe bezield is de natuur in Overijssel? Koos van Zomeren wandelt maandelijks door het Nederlandse landschap, met de seizoenen en de provinciegrenzen als leidraad. “Het landschap brokkelt nog steeds af. Opeens is het kopje van een berg verdwenen, opeens merk je dat een houtwal er niet meer is, overal worden bomen weggepest.”

De jeneverbes wordt tot de familie van de cypressen gerekend en sommige struiken hebben inderdaad die nerveuze vorm, slank als een jong meisje. Maar er zijn er ook met de laconieke plompheid van een vissersvrouw, de heupen opgevuld, de handen in de zij. De naam schijnt te zijn afgeleid van het Keltische woord jeneprus, dat 'stekelig' betekent. De Germanen zouden hout van de jeneverbes hebben gebruikt om hun doden te verbranden. Een extract van jeneverbessen werkt desinfecterend, zorgt voor een goede doorbloeding van de huid, geeft verlichting bij reumatische aandoeningen. Deze bessen hebben drie jaar nodig om te rijpen, van frisrood tot bedauwd blauw. Ze smaken harsachtig, een beetje bitter, een beetje zoet. Bij inwendig gebruik hebben ze een urine-afdrijvende werking. Ze bevorderen de afscheiding van maagsappen, de spijsvertering, en zo is het tot de jenever gekomen: een zeventiende-eeuws digestief, een drankje tegen (of juist voor) de 'vette zonde'. Sinds voor jenever een zachte smaak en een neutraal aroma worden geprefereerd, zijn de bessen in onbruik geraakt. De gehele struik is tegenwoordig trouwens wettelijk beschermd. Vanwege de natuur. Men werd geacht voor een jeneverbes zijn hoed af te nemen. Werd op die hoed een jeneverbestakje gestoken, dan hielp dat tegen de vermoeienissen van de reis. Ter bestrijding van spierkramp werden bessen geroosterd, verpulverd en in een zakje op het lijf gebonden. Een amulet met veertien op Maria-Hemelvaart geplukte bessen gold als remedie tegen epilepsie. Met een wichelroede van jeneverbeshout werden gestolen goederen opgespoord. Een zweep van jeneverbeshout beschermde de voerman tegen boze geesten. Een karnstok van jeneverbeshout voorkwam bederf van de boter. Waar je met de tak van een jeneverbes op de grond sloeg, groeiden weldra volop paddestoelen. Wat van dit alles ook waar mag zijn (of wat van dit alles ook waar mag zijn gewéést), één ding staat vast: jeneverbessen verfraaien de hei. Ze hebben karakter. Ze lijken bezield. Een jeneverbes wekt sterk de indruk dat hij staat waar hij wil staan en dat hij daar de gedaante aanneemt die hij wil aannemen. Tegelijkertijd besef je dat je nooit tot de kern van deze wil, deze bezieldheid, zult doordringen. Ze hebben iets van houtgeworden gedachten. Ze hebben iets volledig in zichzelf gekeerds. Ze hebben iets dat appelleert aan het in zichzelf gekeerde in jezelf. Goed, nu verheugen we ons op jeneverbessen. Maar daar is geen haast bij, dat kan wachten, die lopen niet weg. Eerst even wat anders, eerst even een weilandje, een sappig veldje bij Vasse, op de stuwwal boven Oostmarsum, pal op de Duitse grens. Dit was een wonderlijk weilandje. Het zag geel van de zoetgeurende beenbreek en het wemelde er werkelijk van de gevlekte orchissen. Ik bedoel, ik was net terug uit de Karnische Alpen, ik had echt wel een paar gevlekte orchissen op mijn netvlies staan, maar dit overtrof alles. “En het vetblad is alweer voorbij en de parnassia moet nog komen”, zei Johan ten Hoopen. Hij werkt bij Het Overijssels Landschap. Nu moet je in de gaten houden dat dat weilandje een flauwe helling vertoont. Dan beginnen we aan de bovenkant en werken we rustig naar beneden toe. Het eerste wat daarbij opvalt is een lichte toets van veldrus. Wij merken op dat moment nog niks, maar de flora verklapt het al: kwelwater! Bij kwelwater denk ik altijd aan een gekweld gemoed, een onderhuidse benauwdheid, water dat wordt uitgedreven om erger te voorkomen. En zo is het waarschijnlijk ook. Een eindje verderop openen zich putten in het plantendek, nauwelijks groter dan een afwasteiltje. Daar komt het water openlijk naar boven. Het vlies, dat het hier en daar bedekt, is geen olie, maar een bacteriële reactie op het ijzergehalte. En nog wat verderop wordt dat water aan de oppervlakte in een bepaalde vorm getrokken. Het verandert in strómend water, en hier sopt de aarde onder je voeten, hier hebben zich kussentjes van mos gevormd, rijkelijk bezet met kleine en ronde zonnedauw, en hier was Ten Hoopen zo vriendelijk mijn aandacht te vestigen op een alleronooglijkst orchideetje, de veenmosorchis. Een bleekgroen stengeltje met bleekgroene bloempjes, die pas bij gebruik van leesbril als variant op het bekende orchideeënthema worden herkend. Net een babygezichtje te midden van losgeraakte windselen. Dit terrein, vertelde Ten Hoopen, werd kort na de oorlog gekocht op aanraden van professor Westhoff. Westhoff had er destijds de vegetatie geïnventariseerd en onlangs had hij dat nóg eens gedaan en op twee mosjes na, precies dezelfde soorten! In sommige opzichten was het weilandje er zelfs op vooruitgegaan. Van het kunstig bloeiende vetblad, dat hier ooit met lijf en leden beschermd moest worden, was dit inmiddels een van de rijkste vindplaatsen in het land geworden. En eigenlijk zonder kunstgrepen! Dit kwelwater bevat nuttige hoeveelheden kalk. Het kan op eigen kracht een hele plons zure regen neutraliseren. Het beheer bestaat voornamelijk uit een bordje verboden toegang. Eén maal per jaar, tegen de herfst, wordt er gemaaid. Dat gebeurt met een handmaaier, zo'n overmaatse tondeuse. Het maaisel wordt dan verzameld op een stuk zeildoek ('het vliegende tapijt'), dat aan een kabel over het terrein wordt getrokken. Tegen de wieldruk van een tractor zou het namelijk niet bestand zijn. Aan de lage kant loopt het weilandje uit op een strook moerasbos en een kraag van riet en lisdodde. Nu moet het samengestroomde water nog onder een zanderig weggetje door en dan vindt het opeens een bedding: helder, bezaaid met speelse reflecties, gaat het de wereld in. Water weet overal de weg. We zagen in een flits een wezeltje oversteken en Ten Hoopen begon zuigende geluiden op de rug van zijn hand te maken om het dier naar ons toe te lokken. “Konijn-in-nood geluiden”, zei ik. “Precies”, zei hij. Verder: doodstil bij die beek, de Mosbeek, de plaats van haar voortdurende ontstaan.

Het Overijssels Landschap werd in 1932 gesticht in een milieu met het stempel van Twentse textiel. Dirk Brugman, de huidige adjunct-directeur, vertelde me dat het allemaal begonnen was met de aankoop van de Friezenberg bij Markelo door de toenmalige Van Heek. Op zijn eigen houtje, uit zijn eigen middelen. Bij deze Van Heek zouden de Blijdensteins, de Jordaans en de Ter Kuiles op zondag op de thee zijn gegaan en dan werden de kosten van nieuwe aankopen omgeslagen op basis van de bedrijfsresultaten. Die families droegen het Twentse land een warm hart toe. Ze hadden oog voor de natuur en wisten belangrijke gebieden te redden uit het ontginningsvuur. Dat ook hun eigen landgoederen, geconcentreerd rond Enschede, ooit grotendeels in handen van Het Overijssels Landschap zouden belanden, zal wel niemand hebben voorzien. Wat dat betreft is het predikaat van de textiel toch tamelijk vluchtig gebleken, vluchtiger in elk geval dan dat van de adel, die vooral langs de Vecht was neergestreken, een keten van fraaie bezittingen van Zwolle tot achter Ommen, waarop hij (die adel) nog steeds bewonderenswaardig standhoudt. Van déze landgoederen heeft Het Overijssels Landschap er eigenlijk maar één verworven: de Horte bij Dalfsen. Daar, in alle rust, is het kantoor gevestigd en daar wordt naar de textielhistorie verwezen om uit te leggen waarom het zwaartepunt van de organisatie zo oostelijk in de provincie ligt. Want bij Zwolle houdt het wel zo'n beetje op. Het andere Overijsselse landschap, het kostbare conglomeraat van moerassen in het noordwesten, berust onder Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. Het Overijssels Landschap heeft vierduizend hectare grond, een loonlijst met 22 mensen en een achterban van ruim negenduizend begunstigers (op een bevolking van een miljoen). Financieel gesproken zijn ze, na een aantal zorgelijke jaren, weer uit het dal aan het klauteren. Er is bezuinigd en gesnoeid. Er is een vriendenkring in het leven geroepen: veertig bedrijven, die elk jaarlijks 2500 gulden doneren. Een ton op een budget van drie miljoen, dat scheelt. Want kijk, in grote lijnen is het beheer van terreinen wel verzekerd, maar er blijft altijd een dringende behoefte om te verfijnen. Spectaculaire aankopen.... uitbreiding en afronding van bezittingen in bijvoorbeeld het Aamsveen en het Reestdal, dat wel... maar echt nieuwe terreinen, de laatste jaren eigenlijk niet. De grondmobiliteit in Overijssel is gering. De prijzen zijn hoog, in Twente zeer hoog. De verstedelijking gaat maar door, ook in de dorpen. De uitstraling van de A1, opgewaardeerd door de Duitse hereniging, is enorm. Grote infrastructurele ingrepen zijn aangekondigd: een noordelijke tak van de Betuwelijn, een snelweg uit de Achterhoek richting Enschede / Hengelo, een nieuwe injectie voor het kanaal Almelo-Nordhorn. En dan stuit je ook nog eens op de ongeschreven regels van het onvolprezen naberschap. Waar de traditie nog opgeld doet, en dat is vaak de hoek waar je het als provinciaal landschap zoeken moet, zal een Twentse boer die wil verkopen eerst de hele rij van naburen afwerken. Dat hoeft de prijs niet te verhogen, maar je komt als buitenstaander wel als tiende pas aan de beurt. Binnen de reservaten, zei Brugman, is de rekening van verdroging en verzuring nog lang niet opgemaakt, en buiten de reservaten is de ontluistering nog volop gaande. Dat laatste had Ten Hoopen trouwens ook al gezegd: “Het landschap brokkelt nog steeds af, er wordt nog steeds ontzettend veel opgeruimd. Opeens is het kopje van een berg verdwenen, opeens merk je dat een houtwal er niet meer is, overal worden bomen weggepest.”

Tot de brongebieden van de Mosbeek behoort ook het terrein dat de reuterieje wordt genoemd, de roterij. Daar zit het werkwoord 'roten' in en dat heeft, zoals elke geoefende puzzelaar wel weet, met vlas te maken. Vlas werd in water te roten gelegd, om vervolgens te worden gebraakt, gewreven en gehekeld. Op oude topografische kaarten is nog te zien waar de reut'nboer zijn woonhuis heeft gehad. In 1915 ongeveer moet hij zijn bedrijf van de ene dag op de andere hebben gestaakt, alsof er zich een Pompeïsche ramp had voltrokken. Toen tien jaar geleden de bronvijver werd uitgegraven, lagen de bundels vlas nog op de bodem, en de wortels zaten er nog aan, want vlas werd niet gemaaid maar getrokken; vlasakkers werden bij de oogst min of meer geëpileerd. Destijds was het hele terrein, sterk aflopend en ongetwijfeld buitengewoon drassig, bedolven onder een laag zwarte grond, die werd gewonnen door in de buurt een heuveltje af te graven. Hier en daar werd het twee meter opgehoogd, natuurlijk om de bewerking te vergemakkelijken en de productiviteit te vergroten. Nadat de vijver al eerder van deze verstikkende deken was verlost, heeft Het Overijssels Landschap dit voorjaar ook de rest laten afvoeren. Dat gebeurt dan door een aannemer die plezier heeft in dit soort werk en die afnemers heeft voor een beste kwaliteit teelaarde. Toen ik er rondliep, half juli, bood dat terrein de aanblik van een fantastische zandbak. Onder de vijver schroefde het kostelijke aardwater door drie of vier erosiegeulen. Welke vader zou daar niet een dagje willen spelen? Zonder kinderen desnoods. “Qua profiel”, zei Ten Hoopen, “gaat dit ongeveer terug tot de ijstijd.” Qua vegetatie is het afwachten wat de natuur verricht met stuifmeel en zaad van vroeger dat nog in de blootgelegde bodem zit, in combinatie uiteraard met stuifmeel en zaad van nu dat wordt aangedragen door wind en vogels. Laat je haar haar gang gaan, dan zal er uiteindelijk bos opschieten. Bij een licht regime van maaien en afvoeren, krijg je net zoiets als dat eerder beschreven weilandje met beenbreek en gevlekte orchissen. Dan fixeer je iets van de negentiende eeuw. Altijd een mix van natuur en cultuur.

Hier wordt al duizenden jaren door mensen geleefd en gewerkt. Duizenden jaren werd er gemanipuleerd met water. Nu eens was er te veel, dan weer te weinig. Beddingen werden verlegd, schuiven geplaatst, aftakkingen gegraven. En altijd waren er behalve mensen ook wilde planten en dieren die daar hun voordeel mee konden doen. Vier kilometer lang slingert de Mosbeek met verrassende steiltes en weemoedige bochten door het Twentse land. Hier en daar passeert ze een vijver of een oude papiermolen, de molen van Frans en de molen van Bels, elk met zijn eigen paartje grote gele kwikstaarten, uitgesproken liefhebbers van beken. Vier kilometer, dan verandert ze plotseling in iets slootachtigs, iets veenkoloniaals - waarna zij haar einde vindt in de Regge.

Van de ene stuwwal naar de andere, van het steelse stroomgebied van de Mosbeek naar een van de opvallendste oneffenheden van Nederland: de Lemelerberg. Die verheft zich met de onvermijdelijkheid van een gekapseisd schip op het strand. De Lemelerberg heeft een heel andere waterhuishouding. Er zijn weliswaar twee bronnen waar ongeveer één jaar oud regenwater aan de oppervlakte komt, en met name de zuidelijkste daarvan heeft een schitterend effect op het landschap, daar is een glanzende lap moerasvegetatie in de schoot van een heideveld gedrapeerd, maar dat water wordt even verderop alweer door de aarde opgeslorpt en de rest is één en al droogte, stof en stugheid, heide, dennen en jeneverbes. Hier heb ik het met Sipko Sikkes, ook van Het Overijssels Landschap, over hagedissen, kevers en mierenleeuwen gehad. En over jeneverbessen natuurlijk. “Kom”, zei ik, “laat me nu eens een jonge jeneverbes zien.” Maar dat kon hij niet. Al die struiken zijn zestig, zeventig jaar oud. Voor zover er verjonging plaatsvindt gebeurt dat volgens een methode die ook wel in de boomkwekerij wordt toegepast en dan 'afleggen' wordt genoemd. Dan wordt er een tak naar de grond geleid en die vormt op gezette afstanden wortels naar onderen en spruiten naar boven. Ja, dát kon Sikkes laten zien: jeneverbes, half-afgebroken tak in het zand en een rijtje van vier spitse jonkies, keurig in afnemende grootte - net een rijtje jonge uilen. Maar echte nieuwe kiemplanten, nee, nergens. Jeneverbessen hebben open zand nodig om zich te vestigen. Maar ook in brandgangen of op ruiterpaden lukt het ze tegenwoordig niet. Er is gedacht dat het zaad de maag van bepaalde dieren moet passeren om te kunnen ontkiemen. Er is gekeken naar de verhouding tussen de seksen (want er zijn mannelijke en vrouwelijke jeneverbessen). Er is van alles en nog wat geopperd, maar alleen het raadsel werd er beter van.

Ondertussen was het warm geworden, die dag. Achter de wolken had zich een heimelijke hitte opgehoopt. Toen de zon eindelijk te voorschijn kwam, had dat het karakter van een doorbraak, een overval, een bevrijding ook. Hei en hitte, zand en dorst, vertrouwde combinaties. Om een uur of acht was ik alleen. Ik zat op mijn jas op de Lemelerberg. De verten waren wat heiig, maar wie had er behoefte aan verten? Dichterbij had je al overzicht genoeg: open hellingen met allerlei struikgewas en stroken bos. En jij, met dat uitzicht, voor een tijdje aan het stuur van de schepping. Even dacht ik aan een avond in de Pyreneeën, toen we op een top waren gaan zitten in de hoop dat ergens in het goddelijke panorama een bruine beer zou verschijnen. Dát gevoel, maar dan in het klein. Dat sprak vanzelf, in Nederland beleef je alles in het klein. Wij hebben Madurodam helemaal niet nodig, wij zijn Madurodam. Zonsondergangen, eigenaardig. In het voorbijgaan zie je soms de spectaculairste effecten. Ga je er speciaal voor zitten, dan gebeurt er niets opzienbarends. Om kwart over negen al, veel eerder dan nodig was, verdween het laatste randje van de zon achter een donkere wolkenband. Net of er een doek werd opgehouden. Net of je de hand van een drenkeling zag verdwijnen. Zo, dacht ik met een ook voor mijzelf verrassende grimmigheid. Die is weg, dacht ik, en die komt nooit meer terug. In het eikje achter mijn rug rumoerden een paar jonge gekraagde roodstaarten, die nog één keer gevoerd wilden worden. Verderop zaten twee of drie geelgorzen tegen elkaar op te zingen, uren- en urenlang hun klassieke jingletje. En als het dan eindelijk stil is, volkomen stil, is er altijd nog een merel die zich opeens herinnert dat-ie nog ergens heen moet. Ach, dat plotselinge kabaal van een merel bij het vallen van de nacht. Om een uur of half elf zocht ik mijn spullen bij elkaar. De weg terug naar Lemele zat zorgvuldig opgeborgen in mijn hoofd. Alleen uitkijken dat je je nek niet brak over een wortel of een steen of zo. Op de grens van donker groepten jeneverbessen samen voor onderling beraad. Sommige namen de houding van een wachtpost aan. Of van een opgezette oehoe. Van iets monsterachtigs, iets waarvan je zou willen dat het nooit bij je opgekomen was.

Nu nog een wiegende witte nevel, of het nachtelijke geritsel van een schichtig dier, en de beren zijn los.

    • Koos van Zomeren