Een vogelvriendelijke stad

MARTIN MELCHERS & REMCO DAALDER (red.): Sijsjes en drijfsijsjes. De vogels van Amsterdam

256 blz., geïll., Schuyt & Co. 1996, ƒ 39,50

Na Haring in het IJ (1991) over het verborgen dierenleven in Amsterdam en Van Muurbloem tot Straatmadelief (1994) over de Amsterdamse planten is deze zomer Sijsjes en Drijfsijsjes verschenen, het boek over de vogels van Amsterdam.

Dat zijn er ongelofelijk veel. Alleen aan broedvogels al worden 145 soorten genoemd - dat is meer dan eenderde van alle soorten die in Nederland voorkomen. Over deze broedvogels, vogels die de afgelopen twaalf jaar in Amsterdam hebben gebroed, gaat Sijsjes en Drijfsijsjes, waarbij iedere soort een of meer pagina's krijgt. Daarnaast is er een lijst met 160 soorten vogels die de afgelopen vijf jaar zijn gezien. Het is duidelijk dat Amsterdam bijzonder vogelvriendelijk is.

Amsterdam is een groene stad omgeven door enkele uitzonderlijke gebieden. Allereerst is daar Waterland, het prachtige weidegebied met kleine meertjes, hier dieën genaamd. Het dorpje Holysloot, gemeente Amsterdam, ligt er middenin. Hier broeden bijna alle soorten weide- en moerasvogels die Nederland rijk is in groten getale: grutto, tureluur, scholekster, kievit, kemphaan, bruine kiekendief, kokmeeuw, watersnip, kluut, waterral, slobeend, kuifeend, zomer- en wintertaling en krakeend.

Het Westelijk Havengebied is nog zo'n vogeleldorado. Door het opspuiten van oud brak zeezand uit het Pleistoceen, met de bedoeling het gebied bouwrijp te maken voor de industrie, is een soort strandvlakte ontstaan waar zich onmiddellijk allerlei zeevogels vestigden. Helaas is het gebied in waarde achteruit gegaan omdat de industrie er inderdaad kwam, maar de afgelopen dertig jaar hebben vogelaars hier toch schitterende waarnemingen gedaan. Alle soorten meeuwen hebben hier gebroed, visdiefjes, en van de kleine pleviertjes alle drie Europese soorten tegelijk: de strand-, de bontbek- en de kleine plevier. Dat is bijzonder omdat strandplevier en bontbekplevier van zout water houden en de kleine plevier juist zoete rivierstranden prefereert. De verzoeting van het opgespoten brakke zand bracht ook de bruine kiekendief in het Westelijk Havengebied, de patrijs en andere ruigteliefhebbers. Zelfs de kwartelkoning, een uiterst zeldzame soort, is in het Westelijk Havengebied gesignaleerd.

Aan de oostrand van Amsterdam ligt de Diemerzeedijk, de ideale lokatie voor het zien van toevallige gasten. Tijdens de trek komen hier allerlei zeldzame vogels terecht. Door een wat aanvechtbare definitie van broedvogel (een vogel gezien in een geschikt broedbiotoop tijdens de broedtijd) worden ook de hop en zelfs de krekelzanger tot de Amsterdams broedvogels gerekend.

Schiphol is ook een aantrekkelijk gebied voor vogels. De beheerders van de luchthaven proberen de omgeving onaantrekkelijk te maken voor weidevogels, omdat wolken kieviten de vliegtuigmotoren onklaar kunnen maken. Men laat het gras heel hoog opschieten, maar hoog gras is aantrekkelijk voor muizen en daarom voor torenvalken en kiekendieven. Zelfs de blauwe kiekendief heeft bij Schiphol gebroed.

Het Amsterdamse Bos en de grote begraafplaatsen, als Zorgvlied, herbergen grote aantallen bosvogels, zoals zangertjes, vinkachtigen en spechten. Ze vormen het bewijs dat hoogopgaand loofbos met open plekken niet eens bijzonder oud hoeft te zijn om veel vogelsoorten aan te trekken.

Tenslotte is Artis een plek waar ook wilde vogels soms tot broeden komen. De enige Amsterdamse 'aalscholverkolonie' zit in Artis, de nakomelingen van een gekortwiekt paartje die gewoon zijn gebleven, ook al kunnen ze vrij vliegen. Hetzelfde geldt voor de kwak en de ooievaar. Ze duiken overal in Amsterdam op, maar keren toch weer terug naar Artis, waar ze met wisselend succes tussen de blauwe reigers broeden.

Affiniteit

Sijsjes en drijfsijsjes - de titel verwijst naar de eenvoudige tweedeling waarin de 'echte Amsterdammer' de vogelwereld pleegt te onderscheiden - is erg aardig geschreven. Dat kan lang niet altijd gezegd worden van boeken die door veel auteurs gezamenlijk worden geschreven. Dat komt omdat in Sijsjes en Drijfsijsjes iedere auteur de kans kreeg een persoonlijk relaas te geven over de soort waarmee hij een bijzondere affiniteit heeft. Hulde aan de eindredacteuren die de bijdragen niet 'doodgeredigeerd' hebben.

Nu waren de eindredacteuren zelf ook niet vies van persoonlijk geschreven stukjes. Zo begint Remco Daalder zijn bijdrage over de waterhoen aldus: “Waterhoenen houden niet van de grachtengordel. En terecht. Amsterdam binnen de grachtengordel, dat is een fabelachtig mooie stad, maar dat is ook bendes toeristen met bendes van de bijbehorende voorzieningen. Dat is compleet verkeerde uitgaanstenten op het Leidseplein. En veel te dure restaurants in de Jordaan. Daarnaast bevat de grachtengordel een grote hoeveelheid uiterst kakkineuze bewoners, die zichzelf erg graag zien en daarmee al menige buurtkroeg compleet verpestten. Geen wonder dat het waterhoen het binnen de grachtengordel alleen in Artis uithoudt. Ze broeden daar vooral rondt de hokken van de eenden en de flamingo's en vormen voor de dierentuin een aardige gratis attractie.” Zo kom je niet alleen wat over waterhoenen, maar ook over de uitgaansvoorkeuren van vogelaars aan de weet.

Martin Melchers, de andere eindredacteur, schuwt evenmin het persoonlijke. Over een mogelijk broedgeval van de wulp in het Westelijk Havengebied schrijft hij: “Ik moest en zou het broedgeval aantonen, door een nestvondst. Tenslotte vond ik mezelf een van de beste nestzoekers. Toch ging een ander met de eer strijken. In 1983 ving J. Walters (de gedreven vogelaar aan wie Sijsjes en Drijfsijsjes is opgedragen - RB) een al bijna vliegvlugge wulp langs de Australiëweg. Een broedgeval was bewezen. Maar er was nog steeds geen nest gevonden. Ik had nog een kans. In 1984 zou ik het wulpenest vinden, al zou ik iedere graspol moeten inspecteren. Toch had ik mazzel nodig bij mijn eerste wulpe-eieren in Amsterdam. Op weg tussen twee terreindelen liep ik voorjaar 1984 door een kniehoog duindoorngebied. De doornen staken me hevig, maar dat vergat ik bij toverslag toen ik midden in dit struweel drie eieren van de wulp voor mijn voeten zag liggen. Die zou ik daar nooit hebben gezocht! We wisten nu hoe wulpen in dit gebied hun nesten konden verbergen. (...) De wulp staat bekend als een schuwe broedvogel die geen betreding of andere menselijke activiteiten verdraagt. In het Westelijk havengebied gedroegen de wulpen zich echter geheel anders. Een stel wulpen broedde zelfs met succes in een motorcrossroute waar vele malen per dag gierende motorcrossers op slechts twee meter afstand langs het nest reden. De nestplaats hadden we met een roestig olievat gebarricadeerd. De motorcrossers weken daardoor vanzelf iets uit. Deze wulp zat heel vast te broeden. Alleen als het 's avonds stiller werd, sloop zij bij verstoring al op grote afstand van de eieren.” Het is een veelzeggend beeld van natuur in de stad. De fanatieke vogelaar die een zeldzaam broedgeval beschermt met een roestig olievat.

Roeken

Ook mooi is de beschrijving van de groei van de roekenkolonie langs de Spaklerweg, waargenomen door een treinpassagier die dagelijks naar Utrecht reed. Hij kon de spoorwegomgeving wel dromen. Maart 1994 stonden de populieren langs de Spaklerweg nog niet in blad en hij zag in de naakte boomkruinen twee nesten verschijnen. “In eerste instantie dacht ik aan eksters. Maar deze nesten waren niet zo suikerspinachtig van opbouw. Ze waren platter. Dat platte van de nesten, zo dacht ik, komt omdat die eksters nog druk bezig zijn met de bouw. Ze hebben nog niet definitief gekozen welk nest het nu moet worden. Groot was mijn verbazing dat er bijna elke dag een nest bij kwam. Dit waren geen eksternesten. Ik besloot beter op te letten en wat ik heimelijk al hoopte, bleek bewaarheid te worden. Roeken! Roeken waren bezig een kolonie op te bouwen. Elke ochtend en avond hield ik nauwgezet het aantal nesten in de gaten. Uiteindelijk telde ik acht roekenesten met als vreemde eend in de bijt het nest van een ekster. Eindelijk na bijna dertig jaar afwezigheid weer broedende roeken in de stad!”

Sijsjes en Drijfsijsjes is een enthousiast boek, dat geen Amsterdamse vogelaar mag missen. Iedere soort is mooi geïllustreerd en een kaartje met stippen geeft de broedplaatsen weer. In het nawoord geven de redacteuren een overzicht van de bedreigingen maar ook van de nieuwe kansen. Waarom ontwikkelt de gemeente de nieuwe recreatiegebieden toch altijd zo saai, met boompjes in het gelid en singeltjes met hardhouten bruggetjes erover?

“Waarom doen de landschapontwerpers het niet eens anders? Zet in geplande natuurgebieden grote delen binnen lage dijkjes onder water. Door met de waterstand de groei van de vegetatie te regelen ontstaan er prachtige gebieden voor veel vogelsoorten die nu op het punt staan Amsterdam de rug toe te keren. Een schitterend voorbeeld is het voormalige terrein van de Amsterdamse golfclub bij het NS-Station Duivendrecht. Dit is op initiatief van landschapsschepper Geert Timmermans onder water gezet. Uit het niets verschenen hier witgatjes en groenpootruiters en er ging zelfs een dodaars broeden. De grote attractie zijn echter de lepelaars die hier op de talrijke tiendoornige stekelbaarzen komen jagen. De chauffeur van een bus die naar het station reed, stopte op een avond zelfs om zijn passagiers van dit miniwonder te laten genieten. Er stonden toen zeventien lepelaars te eten, zichtbaar voor elke passant.”