Een onverwoestbaar optimisme

Toen ik vijftien was leerde ik van een jongen uit mijn klas in één vloeiende beweging een cowboygezicht-met-hoed te tekenen. Het vergde intensieve oefening, maar toen was ik er ook erg goed in. Ik kon het snel, in gevarieerde afmetingen en er zat ook bepaald uitdrukking in de gezichten.

Wie niet beter wist, dacht dat ik heel aardig kon tekenen. Dat kon en kan ik niet, niettegenstaande de in mijn familie rondwarende begaafdheid daartoe. Bij het uitdelen daarvan ben ik overgeslagen. Maar mijn cowboys mochten er zijn. Ledige momenten tijdens de les leenden zich er goed voor en mijn agenda en schriften stonden er mee vol. Afgewisseld met mijn initialen, want net als mijn klasgenoten oefende ik als onderdeel van mijn identiteitsontwikkeling ook in een interessante paraaf. Het zelfvertrouwen mocht nog wankel zijn, op papier konden wij al krachtig ons hoogstindividuele stempel drukken.

Het heeft me altijd verbaasd dat verdedigers van het graffiti-geknoei deden alsof hierbij iets heel bijzonders aan de hand was dat bij uitstek typerend was voor de jeugd van tegenwoordig. Tegenover de vervreemding en onzekerheid die zij in het huidige tijdsgewricht zouden ervaren, zouden de jongeren een daad stellen: hun concrete tags op de muur als zelfbevestiging. Als ik getekende graffiti zie, moet ik altijd aan mijn cowboys denken, die in hun brede lijnvoering van eenzelfde cartoonachtige allure waren. Alleen de kleur ontbrak bij mij. En wat nu zo interessant op z'n Amerikaans tags worden genoemd zijn niets meer dan onze eindeloos herhaalde initialen. Weinig nieuws dus. Het bijzondere is alleen dat het de jeugd nu is toegestaan anderen met hun zelfbevestigingszoektocht lastig te vallen door het straatbeeld ermee te ontsieren. Wij beperkten ons indertijd tot onze eigendommen, en dat is nog wel zo beschaafd.

Na een jaar of vijftien - naar keuze - tolerantie of lamlendigheid van overheidswege, leek in het voorjaar een verandering op til. Tussen 1 april en 1 juli zou een grote schoonmaakactie worden gehouden om al het spuitbusgeklieder in de binnenstad van de muren te halen onder het motto 'Graffiti fini'. Huis-aan-huis werd kleurig drukwerk verspreid om te vertellen hoe mooi en schoon het zou worden en vooral zou blíjven.

Het loopt nu tegen eind juli en inderdaad is de kademuur schuin aan de overkant bij ons na vijf jaar graffiti-vrij, maar verder is in de stad weinig veranderd. Er zal hier en daar wel iets zijn verwijderd, maar het algemene straatbeeld is gebleven en ontlokte afgelopen maand nog steeds hetzelfde commentaar van diverse buitenlandse gasten: wat is Amsterdam toch prachtig, maar wat vreemd dat ze overal die graffiti op laten zitten.

Nu zal bij de aankondiging van de actie bij menigeen al twijfel zijn gerezen over de haalbaarheid van het plan en over de geweldige inschattingsfout die werd gemaakt. Besefte het gemeentebestuur eigenlijk wel hoe véél in de afgelopen jaren is volgesmeerd en hoeveel menskracht nodig zou zijn om dat allemaal weg te krijgen en te houden? Waarschijnlijk wel enkele duizenden schoonmakers, die zichtbaar voor de burgerij over de stad zouden moeten uitzwermen en tegelijkertijd in iedere straat alomtegenwoordig aan het werk zouden moeten zijn, door de bewoners uit dankbaarheid verwend met koffie, spa en pils.

Maar zo is het natuurlijk niet gegaan. Er moet, naar verluidt, een firma bezig zijn geweest, maar niemand van degenen die ik er naar heb gevraagd, had ooit een van deze speciale gevelreinigers aan het werk gezien, behalve dan de schoonmakers die er toch al altijd zijn als een pand wordt gerestaureerd.

Voor zo'n werkelijk adequate aanpak was natuurlijk geen geld, maar dan heb ik liever dat men niets doet, dan zo'n vertoon van machteloosheid dat de burgers alleen maar lacherig maakt over het stadsbestuur en dat zijn aanzien schaadt.

Het ene plannetje is echter nog niet mislukt of het volgende dient zich al weer aan. Het Amsterdamse stadsbestuur geeft blijk van een onverwoestbaar, maar tevens naar onnozelheid neigend optimisme. Dit keer heeft men het voornemen de bruine paaltjes - Amsterdammertjes - van lieverlee te laten verdwijnen, omdat ze het straatbeeld zouden ontsieren. Bovendien zouden ze niet meer nodig zijn, omdat door een streng parkeerbeleid toch niemand meer zijn auto op de stoep durft te zetten. Toegegeven, echt mooi zijn ze niet, maar door hun eenvoudige eentonigheid voegen ze zich onopvallender in het straatbeeld dan bijvoorbeeld graffiti.

Wat echter een grotere inschattingsfout is, is dat de paaltjes helemaal niet meer louter dienen als parkeerbarrière. In de grotendeels stoeploze binnenstad is hun belangrijkste functie bescherming te bieden aan voetgangers, en soms aan fietsers, die door te hard rijdende automobilisten - want een streng snelheidsbeleid kent Amsterdam niet - op smalle stukken worden opgejaagd.

Er is inmiddels een generatie opgegroeid voor wie 'achter de paaltjes blijven' een begrip is geworden dat ze nu weer aan hun eigen kinderen proberen bij te brengen. Wie belooft achter de paaltjes te zullen blijven, hoeft af en toe even geen handje te geven, mag op de driewieler een paar meter voor pappa en mamma uit rijden en kan als klein schoolkind in z'n eentje een boodschap doen in de winkel op de hoek. Maar ook als volwassene moet je er toch niet aan denken dat auto's de vrije breedte tot aan de rooilijn zouden krijgen, wat in veel gevallen betekent tot aan de voordeur van de huizen of tot aan het trappetje ervoor.

Er zal ook heus wel weer niks van terecht komen en bij een plannetje blijven, maar het idee is zo verbijsterend. Misschien heeft men andere veiligheidsbarrières op het oog, maar in de berichtgeving werden die niet genoemd. Daarin werd slechts gemeld dat B en W het een goed plan vonden van de betreffende wethouder en dat het in september in de raad komt. Wellicht heeft dan de vakantie verfrissend gewerkt, zodat men zijn of haar verstand weer wat beter kan gebruiken.