De ophef over 'Goldhagen' slaat nergens op

De Amerikaan D.J. Goldhagen komt binnenkort naar Duitsland om zich te verdedigen tegen de kritiek op zijn geruchtmakende boek over de holocaust. Als simplistische aanklacht heeft het boek onmiskenbaar allure, vindt H.W. von der Dunk, maar het levert geen enkele bijdrage aan het historisch inzicht.

Wie met veel aplomb verkondigt dat de hele geschiedschrijving - planken vol! - over de meest verbijsterende massamoord van de eeuw van verkeerde premissen is uitgegaan en dat hij nu het boek op tafel legt dat een radicale herschrijving nodig maakt, kan in elk geval zeker zijn van de nodige opschudding en dus van een daverend kassucces. Ook historici loensen meer en meer met één oog naar de geschiedenis en met het andere naar de markt.

Wat betreft professioneel geregisseerde reclame leert de jeugdige Daniel Jonah Goldhagen met zijn pil van meer dan 600 bladzijden, Hitlers willing executioners (in de Nederlandse vertaling: Hitlers gewillige beulen), ons allemaal hoe het moet.

Goldhagen maakt een eind aan de these over 'de banaliteit van het kwaad' van Hannah Arendt, aan het idee van de schrijftafelmoordenaar en aan de constatering dat mensen kunnen doden zonder hun slachtoffer persoonlijk te haten omdat ze door een reeks van factoren, ook zonder ideologische indoctrinatie, zó kunnen ontaarden, dat ze weerlozen mishandelen en doodslaan. Dat betekende immers dat in een ongewis percentage van normaal ogende burgers, de beul in de kiem aanwezig is en in een specifieke situatie naar boven drijft. Waardoor de daadwerkelijke beulen weer in het gevarieerde menselijke gezelschap worden opgenomen. En dan was er de nog veel lastiger vraag van de collectieve medeplichtigheid, de vraag naar het verschil tussen wat men weet en kàn weten, de selectie van ons geweten en ons geheugen.

Kortom, allemaal irritante kwesties, waarbij het kwaad zijn dader dreigt te verliezen en waarbij historici, sociologen en psychologen de laatste decennia de mensheid met hinderlijke morele en historische puzzels hebben opgezadeld.

Hoe verfrissend is het dan om bij Goldhagen het ei van Columbus te vinden: de Duitsers brachten zes miljoen joden om! Dat kon alleen omdat de daders door een bloeddorstig antisemitisme (eliminationist antisemitism) waren bezield en omdat de rest op de hoogte was en in grote meerderheid achter die slachting moet hebben gestaan. Anders hadden ze immers geprotesteerd.

Zijn bewijs: het feit dat de moordcommando's niet alleen uit fanatieke SS'ers bestonden, maar ook uit gewone politiebataljons, die zich bovendien niet beperkten tot het strikt uitvoeren van executiebevelen, maar, zoals bij de aftocht uit de kampen voor de naderende Russen, op eigen initiatief kwelden en afmaakten.

Zijn conclusie: de Duitsers onderscheidden zich door een virulent antisemitisme dat hun cultuur allang moet hebben doordrenkt. Hitler vond een alleszins geprepareerd volk voor zijn moordplan.

Deze verklaring, die in elk geval de bekoring van de eenvoud bezit, wordt er in honderden bladzijden ingeramd. Het betoog is opgezet als één onafgebroken aanklacht, die telkens in hetzelfde ceterum-censeo (voorts ben ik van mening) van de Duitse collectieve schuld uitmondt om ook de meest hardhorende te doordringen van de rechtlijnige causale ontwikkeling die vanaf Luthers antijoodse schotschriften naar Auschwitz leidt.

Goldhagen zet alle antisemitische pamfletten, al in de 19de eeuw, op een rij en na de snelle escalatie van jodenhaat na 1918 is de komst van het nazisme daarmee vrijwel onontkomelijk. Aldus geprepareerd krijgt de lezer dan de slachtpartijen in het Oosten voorgezet, met als steevast refrein: “Het waren gewone Duitsers”.

Niet dat die gegevens zo nieuw zijn. Alles was al sinds jaren door anderen beschreven; óók dat de daders en medewetenden tot diep in de rijen van de Wehrmacht gezocht moeten worden. Maar gemangeld door dit hernieuwde relaas van gedocumenteerde afgrijselijkheden wordt de lezer ontvankelijker voor Goldhagens requisitoir. Ofschoon de drammerige monotonie ten slotte toch gaat vermoeien.

Als effectvolle, knap en systematisch opgebouwde aanklacht voor een tribunaal heeft dit werk onbetwist allure. Als bijdrage aan ons historisch inzicht is het zonder waarde. Het bevat aan feiten niets dat we niet al wisten. En van de literatuur geeft Goldhagen een scheef beeld om krachtiger zijn originaliteit te markeren; het meest kras als hij beweert feitelijk de eerste te zijn die gewone beulen behandelt (p. 5).

Zelf zondigt hij tegen elementaire methodische regels. Nergens vergelijkt hij het Duitse antisemitisme in de 19de eeuw met dat van anderen, waar even venijnige pamfletten verschenen en zelfs bij een Vacher de Lapouge ook al uitroeiing werd bepleit.

Nergens behandelt Goldhagen de receptie van die geschriften. Hij meet breed de agitatie tegen de gelijkstelling van joden uit, maar dat die wetten er desondanks overal kwamen was blijkbaar het werk van anonieme machten. Dat daarmee de sociale barrières niet verdwenen blijft natuurlijk een feit. Nergens gaat hij echter in dit verband in op de Duitse joden zelf, hun sterke drang tot assimileren en het fervente patriottisme bij zeer velen, dat toch merkwaardig is, als zij in een zo door en door vijandige natie leefden. De duidelijke indicaties, dat veel Duitsers op Hitler stemden niet 'wegens' maar 'los van' of 'ondanks' zijn jodenhaat omdat het hun primair ging om werk en herstel van Duitslands macht, komen niet ter sprake. Goldhagen gaat ervan uit dat de Duitsers kennelijk dag en nacht geobsedeerd waren door de joden.

Ofschoon hij enerzijds beklemtoont dat het antisemitisme een oeroud algemeen verschijnsel was, moet het zich in Duitsland al vanaf de Middeleeuwen hebben onderscheiden, want hoe kon het anders juist in Duitsland tot de shoah komen?! Dat deze totale uitroeiing een topgeheim was omdat Hitler het Duitse volk er niet rijp voor vond, kan in dit verband niet van tafel worden geveegd met de opmerking dat er uiteraard duizenden bij betrokken waren en dat ook verhalen en geruchten doorsijpelden.

Dat laatste was ontegenzeggelijk waar. Maar elke bewering over 'percentages' van wetenden blijft een slag in de lucht. We weten immers ook dat de geallieerde regeringen het hadden kunnen 'weten'. Maar de spoorlijnen en kampen werden niet gebombardeerd. En we weten dat ook de bevolkingen in de bezette landen passief bleven, ja soms medewerking verleenden toen de joden uit hun midden werden weggevoerd. Onderscheidde een Duitse spoorwegman zich principieel van een Nederlandse of Franse bij het vervoer van joden omdat hij een Duits paspoort had?

Te denken dat allen die Hitler toejubelden ook op de hoogte waren van zijn uitroeiingsplan en dit steunden is lagere-schoollogica, ook al dragen zij vanzelfsprekend medeverantwoordelijkheid voor de gevolgen van hun gejubel. Wie de daadwerkelijke getraptheid van wandaad, medeweten, gerucht, verdringing naar ongeloof en volslagen ignorantie over honderden schijven negeert, heeft nog geen benul van de werkelijkheid. Hij snijdt haar op maat van ons huidig democratie-patroon en modelleert haar naar een oordeel dat hem geruststelt en moreel bevredigt.

De verwachting is geuit dat het boek een nieuwe Historikerstreit zal ontketenen. Dat zal dan een zeer overbodige strijd worden. Goldhagen brengt de verklaring terug naar een onhistorisch monocausaal determinisme, dat met zijn beschuldiging van 'de Duitsers' al bijna op een soort racistische conceptie met omgekeerde voortekenen berust.

Vlak na 1945 was dat een zeer begrijpelijke reactie. Maar alles wat wij inmiddels kunnen weten en wat wij ons, soms met moeite, hebben eigen gemaakt ten aanzien van de wijze waarop ten eerste het nationaal-socialisme heeft kunnen triomferen en ten tweede de uitroeiing van de joden heeft kunnen plaatshebben, is bij Goldhagen in de papiermolen beland.

Evenmin als een zinnig historicus - Duitser of niet-Duitser - vandaag nog kan ontkennen dat het nationaal-socialisme terdege wortels in de Duitse geschiedenis had en dat na 1933 vele duizenden zich, ook zonder dwang, schuldig maakten aan stuitend gedrag, smerigheden en erger jegens een weerloze groep, evenmin kan hij negeren dat totalitarisme, terreur en genocide ook twintigste-eeuwse verschijnselen zijn waarbij vergelijkbare mechanismen, medeplichtigheid en ontmenselijking plaatshebben.

Dat het ongeëvenaarde moordprogram door een Duits regime is bedacht en uitgevoerd, uiteraard met medewerking van een voor ongeveer tachtig procent uit Duitsers en Oostenrijkers bestaand apparaat..., voor wie moeten we dat eigenlijk nog herhalen? Het was de nullijn, waar de echte vragen pas begonnen. Ik zie niet waarom er voor historici een reden zou zijn in debat te gaan over allang bekende zaken (zoals de medeplichtigheid van Wehrmacht en niet-SS'ers) en over een theorie uit de mottenzak. Er blijft ten aanzien van het Derde Rijk en de shoah nog genoeg over om nog lang over te debatteren en waarbij dat ook loont.

Het opmerkelijke is dan ook niet gelegen in het boek, maar in de ophef die ervan wordt gemaakt. Aanvechtbare werken worden regelmatig gepubliceerd zonder dat alle media zich daar gretig op storten. Maar we hebben ook te maken met de huidige kritiekloze ontvankelijkheid voor elke sensationele these in de wetenschap, waar de reclame natuurlijk op mikt. Het doet er niet toe of het juist is, als het maar nieuw is. Nieuw!, dat is de formule voor verkoopsucces.

En we hebben hier natuurlijk ook te maken met het thema als zodanig, dat altijd allergische snaren zal doen trillen. De meest perfecte incarnatie van het kwaad en van morele perversie onttrekt zich te enen male aan de puur wetenschappelijke geschiedschrijving en aan een definitieve verklaring. In Duitsland gaat die wond daarom bij elke aanraking weer kloppen.

De Duitse samenleving heeft een ingrijpende metamorfose ondergaan. Duitsers zien vandaag hun staat als stabiele democratie aanvaard. De intensieve en penetrante worsteling met dat donkere verleden, de wijze waarop het buitenland hen telkens weer bij allerlei gelegenheden op de wandaden wijst, die in hun naam en door de vaders en grootvaders van de huidige generatie zijn begaan, hebben daarbij een belangrijke rol gespeeld. Mij is geen vergelijkbaar geval uit de hele geschiedenis bekend.

Onder de deskundigen in alle landen is reeds lang een consensus ontstaan dat monocausale verklaringen en een deterministische visie op de shoah en het Derde Rijk ontoereikend zijn - hoe zeer de standpunten verder ook uiteen mogen liggen. Duitse historici maken in dat opzicht sedert jaren gewoon deel uit van de internationale commune der historici.

Nu een jonge joodse schrijver vanuit de Verenigde Staten de klok terugzet, voelen Duitsers zich logischerwijs speciaal uitgedaagd. Goldhagens conceptie van de Duitse cultuur suggereert feitelijk dat ook de erfgenamen van de nazi-generaties onzichtbaar besmet kunnen zijn. Dat Goldhagen dit schijnt te willen ontkennen en roept dat het huidige Duitsland een prachtige democratie is, geeft mij een vreemde smaak. Hoe kan dat, als zijn verklaring juist is? Als hij gezegd had: 'Wat Duitsers van mijn boek vinden laat mij bij dat volk koud', zou hij tenminste consequent zijn geweest.

Dat ook in Nederland de oortjes rechtop gingen staan, heeft uiteraard andere oorzaken. De neiging om in de grote buur nog steeds de verkrachter van 1940-1945 te zien, blijkt niet verdwenen. Alle pragmatische voornemens en officieel-publiekelijke verklaringen van de laatste tijd, dat ook hier een streep moet worden getrokken en dat het huidige Duitsland niet meer dat van gisteren is, ten spijt. Daarvoor is de bezetting nog veel te zeer in onze cultuur aanwezig.

Daarenboven fungeert Duitsland gemakkelijk als contrast-natie voor de eigen identiteit. Daarbij speelt wellicht ook de huidige constellatie een rol: Duitsland als sterkste en centrale Europese macht, als onmisbare voortrekker van de integratie, moet leiding geven maar zonder te heersen! De herinnering aan zijn verleden kan daarbij als nuttige breidel fungeren. Zoals één bespreking (niet zonder een tikkeltje leedvermaak) eindigde: “De Duitsers zijn door deze publicatie nog steeds niet van hun verleden af.” Blijkbaar toch een geruststellende gedachte.

Verder vraag ik mij af of in de Goldhagen-receptie ook een rol speelt dat wij juist de laatste jaren door verschillende affaires eraan werden herinnerd dat ons eigen verleden onverwerkte hoofdstukken bevat, zoals nooit officieel gestrafte wandaden in Indonesië en de mishandelingen na 1945 in de NSB-kampen. Maar zoals die vergeleken bij de nazi-gruwelen in het niet verzinken, zo verzinkt ook onze zelfkritiek erover, vergeleken bij de Duitse, in het niet.

Er is echter nog een andere reden, die ik eerder al noemde: de eenvoud van de verklaring die aan een elementaire moraal beantwoordt met haar brave jongens en slechte jongens. Daarbij speelt misschien ook de sympathie voor een jonge drieste beeldenstormer en de irritatie tegenover het academische establishment mee, dat het met zijn nuanceringen allemaal zo ingewikkeld maakt.

Zoals Golo Mann al Hannah Arendt verweet: haar banaliteitsthese maakt de slechten minder slecht en de goeden minder goed! Maar laat de overweldigende hoeveelheid gegevens, ook over hedendaagse wreedheden, een andere slotsom toe dan dat er zowel een absolute tegenstelling, als een minimale afstand kan bestaan tussen fatsoenlijk en barbaars gedrag?

Het gevaar dat Golo Mann heeft gesignaleerd is een zeer reëel gevaar: de relativering van het kwaad ten gevolge van nieuwe inzichten in de menselijke natuur en in het functioneren van totalitaire machtssystemen. Alleen is de these van een tegenstelling tussen 'gewone Duitsers' en anderen, waarbij alles wordt genegeerd wat we sedert vijf decennia weten, de primitiefste oplossing. Als Goldhagens boek dat inzicht, zijns ondanks, bevordert, is al dat publicitaire lawaai misschien nog ergens goed voor geweest.

    • H.W. Von der Dunk