De illusie van Oostenrijk

WENEN, 27 JULI. Het gaat niet goed met Oostenrijk. Noodzakelijke veranderingen komen niet tot stand, de nieuwe coalitieregering kraakt na een paar maanden al in haar voegen, de bevolking geeft 'Europa' van alles de schuld. Bovendien treden hervormingsgezinde politici af, wordt het parlement gebruikt als stempelkussen en tieren de privileges voor mensen met het juiste partijboekje en de juiste vriendjes nog altijd welig.

Dit betekent overigens niet dat de welvaart niet groot is en dat de meeste Oostenrijkers er niet goed van leven. Bovengenoemde problemen hebben het dagelijks leven nog weinig belast. Wel is er kritiek te horen. Mensen die over de grens hebben gekeken zeggen dat een aantal structurele veranderingen nodig zijn wil Oostenrijk op zijn huidige niveau mee kunnen blijven draaien in de voorhoede der Europese landen. Maar voorlopig houdt men de concurrentie van de nieuwe Europese partners met handig gesjoemel buiten de deur en geeft men zich over aan de illusie dat alles nog lang zal blijven zoals het is.

De eerste prikken zal deze illusie krijgen als de bevolking de gevolgen van de door 'Maastricht' nodig geworden bezuinigingen op de begroting aan den lijve gaat merken. Het 'bezuinigingspakket' was vorig jaar het alibi voor de nieuwe leider van de conservatieve Volkspartei, Wolfgang Schüssel, om de coalitie op te blazen.

Hij rook de mogelijkheid de sociaal-democratische SPÖ, die 25 jaar de dominante partij was, te verdringen en zelf bondskanselier te worden. Zijn rekening ging niet op. Het feit dat hij de mogelijkheid open liet na de verkiezingen een coalitie te vormen met de ultrarechtse Freiheitlichen van Jörg Haider leverde de Volkspartei in december min of meer hetzelfde resultaat op als voorheen (28,3 procent van de stemmen). De SPÖ van bondskanselier Vranitzky wist het afkalven van de steun van de laatste jaren zelfs te stoppen, de partij boekte 3,4 procent winst en klom naar 38,3 procent.

De nieuwe coalitieregering, weer onder leiding van Vranitzky en weer met de Volkspartei als 'junior partner', timmerde daarna met veel moeite een bezuinigingspakket in elkaar, waarmee Oostenrijk de begrotingscriteria voor toetreding tot de EMU, zoals vastgelegd in het Verdrag van Maastricht, hoopt te halen.

De SPÖ moest in de sociale sector het een en ander slikken. Vanaf deze maand krijgen werklozen 200 gulden minder per maand, pensioenen worden minder genereus berekend, bij overwerk is alleen de eerste 100 gulden per maand belastingvrij, elektriciteit en gas worden duurder, auto's ook. Na de geboorte van een kind krijgt een van de twee ouders nog 'slechts' 18 maanden wachtgeld, na de winter moeten studenten betalen voor openbaar vervoer.

Daartegenover staan ook maatregelen die het welvarende deel van de bevolking en het bedrijfsleven treffen. De dividendbelasting gaat omhoog van 22 tot 25 procent. Verliezen uit vroegere jaren zijn niet meer fiscaal te verrekenen en allerlei aftrekposten zijn afgeschaft.

Of dit allemaal genoeg zal zijn om het stijgende financieringstekort (vorig jaar al 4,4 procent) en de staatsschuld (72,4 procent) op tijd naar beneden te krijgen is de vraag. Voor 1996 wordt officieel een groei van 1,1 procent verwacht. Een groei van 0,7 procent achten velen realistischer. Als de Duitse economie, waarvan Oostenrijk al even afhankelijk is als de Nederlandse, in de tweede helft van dit jaar niet aantrekt, ziet het er somber uit met de Maastricht-criteria. Enige troost: de Duitsers halen die dan ook niet.

Met deze financiële problemen worstelen de meeste EU-landen. Oostenrijk, dat tijdens de Koude Oorlog tot neutraliteit verplicht was, heeft ook nog een aantal aanpassingen aan Europese principes tot nu toe ontweken die de meeste landen van de EU allang geleden hebben moeten doorvoeren. De overheid zit nog steeds tot haar ellebogen in de economische bedrijvigheid van het land, subsidies helpen eventuele buitenlandse concurrentie te pareren, privatisering is sinds enige tijd op veler lippen, maar vaak komt er weinig van. Ook 'flexibilisering van de arbeidsmarkt', 'deregulering', en 'vereenvoudiging van bureaucratische procedures' zijn veel gehoorde slogans, maar in de praktijk ziet men weinig verandering.

Het verbaast dan ook niet dat Wenen vaak post krijgt uit Brussel en met zijn neus wordt gedrukt op overeenkomsten in Europees verband die niet zijn nagekomen. Schlawinertum (nietsnutten-dom) heeft de EU-commissaris voor de interne markt, Mario Monti, het Oostenrijkse gesjoemel met afspraken kort geleden genoemd. In een vraaggesprek met het weekblad Profil zei daarop de Weense EU-staatssecretaris dat hij 'Schlawinertum' niet opvatte als een negatieve formulering - “als het maar in het nationale belang is”.

De liberalisering van de economie heeft intussen een zware klap opgelopen door het aftreden, half juni, van de Volkspartei-man Johannes Ditz als minister van Economische Zaken. Ditz werd tijdens de verkiezingscampagne in de herfst nog aan het volk gepresenteerd als de belangrijkste partner van lijsttrekker Schüssel. De Schüssel-Ditz-koers zou van Oostenrijk een dynamisch modern land met een liberale economie maken, aldus de verkiezingspropaganda. Ditz heeft nu afgehaakt, duidelijk gedemoraliseerd door de tegenwind die elke hervormingsgezinde politicus meteen in het gezicht blaast. De bureaucratie, de vakbweging en de corporatistische beroepsorganisaties vechten om elke millimeter territorium. En met 'de beheerder van de status quo', bondskanselier Vranitzky, was uiteraard alleen maar geknibbel mogelijk en geen hervorming die diens eigen achterban pijn zou hebben gedaan.

De democratisering van de politiek heeft trouwens de afgelopen maanden een ten minste even zware dreun gekregen. Omdat er haast was met de bezuinigingsmaatregelen bekokstoofden de twee grote coalitiepartijen met de sociale partners in recordtempo 98 wetsvoorstellen die na vier dagen debat, net zoals in het Oost-Europa van voor de Wende, met handopsteken door het parlement werden gejaagd. De oppositiepartijen - Freiheitlichen, liberalen en Groenen - kwamen nergens aan te pas. Zij beschikken bovendien niet over staven die zo'n wetgevingslawine in een paar dagen onder de knie kunnen krijgen. Tegen deze minachting van het parlement protesteerden zij wel (de liberalen boycotten commissievergaderingen), maar zonder soelaas.

Omdat sinds de verkiezingen van december sociaal-democraten en Volkspartei weer over tweederde van de 183 stemmen in de Nationale Raad beschikken konden zij zelfs zonder blikken of blozen maatregelen aannemen die strijdig zijn met de grondwet, zoals wetten die belasting met terugwerkende kracht invoeren.

Het aanzien van het parlementaire bedrijf wordt door dergelijke ingrepen geschaad en de ultrarechtse Jörg Haider spint er garen bij. Hij wil een 'Vierde Republiek', waarin een sterke president en referenda over talloze onderwerpen de parlementaire democratie verder zullen uithollen. Intussen roert hij als leider van de grootste oppositiepartij (zijn Freiheitlichen kregen 21 procent van de stemmen) voornamelijk de trom over emotionele thema's: de volgens hem massaal toestromende buitenlanders, de 'ultralinkse' achtergrond van minister van Binnenlandse Zaken Caspar Einem (de zoon van de componist Gottfried von Einem en van een kleindochter van Bismarck), de privileges van ambtenaren en partijbonzen. Voor grondig parlementair tegenvuur moet men bij hem niet zijn. Dat leveren vooral de Liberalen en de Groenen.

Bij de parlementsverkiezingen eind vorig jaar boekte Haider voor het eerst sinds zijn aantreden als partijvoorzitter in 1986 een klein verlies, ging de Volkspartei minimaal vooruit en riep de SPÖ met 3,4 procent stijging zichzelf uit tot overwinnaar. De triomftocht van Haider was afgebroken, kraaide men in koor. Intussen bibberen de twee grote partijen weer na de koude douche die zij bij verkiezingen in de deelstaat Burgenland op 2 juni kregen. De sociaal-democraten daalden daar met 3,6 procent, de Volkspartei met 2,2 en Haider kreeg vijftig procent meer stemmen dan in 1991 en won 4,9 procent erbij.

De grote test komt op 13 oktober als er tegelijkertijd verkiezingen voor het Europese parlement en voor het parlement van de deelstaat Wenen plaatshebben. De enige partij die een grotendeels anti-Europees standpunt inneemt, de Freiheitlichen van Haider, zou bij de Europese verkiezing wel eens gênant goed kunnen scoren. Veertig procent van de Oostenrijkers denkt nu dat het lidmaatschap van de Europese Unie een 'slechte zaak' is. Een ruime meerderheid, 58 procent, zou nu tegen toetreding stemmen. Het leeuwedeel van de bevolking, 86 procent, denkt dat de landbouw door de EU wordt geschaad, 50 procent denkt dat de werkgelegenheid nu geringer is en dat er nu meer buitenlanders moeten worden toegelaten dan als Oostenrijk buiten de EU was gebleven.

In Wenen vrezen de sociaal-democraten, die, behalve tussen 1934 en 1945, de stad al sinds de Eerste Wereldoorlog besturen, hun absolute meerderheid te verliezen. Burgemeester Häupl probeert Haider de wind uit de zeilen te nemen. Hij wil minder buitenlanders toelaten, kinderbijslag aan allochtonen wier kinderen niet in Oostenrijk wonen schrappen, tegelijkertijd gezinshereniging bemoeilijken. Bovendien schettert Wenen van de popconcerten en andere manifestaties om te tonen hoe vitaal en cultureel het in de stad toegaat.

Besparingspijn, buitenlandervrees en privilegecultuur zullen de arena vormen waarbinnen de verkiezingsslag zich gaat afspelen. Haider heeft er het scenario voor geschreven, dat kan niemand ontkennen.

    • André Spoor