Amerikaanse dromen

JAMES T. PATTERSON: Grand Expectations. The United States, 1945-1974

829 blz., Oxford University Press 1996, ƒ 68,60

Anything you can do, I can do better, liet de Amerikaanse componist Irvin Berlin in 1946 Annie Oakley zingen in de populaire musical Annie Get Your Gun. Het had, vlak na de Tweede Wereldoorlog, het credo van de Verenigde Staten kunnen zijn. Als voorlopig enige bezitter van de atoombom, als enige economische grootmacht, was Amerika in staat andere landen te overtreffen, zo niet zijn wil op te leggen. Wat Rome was voor de klassieke en Londen voor de moderne wereld, schreef Walter Lippmann in 1945, dat zal Amerika in de nabije toekomst zijn.

Nauwelijks 25 jaar later, aan de vooravond van de invasie van Cambodja in 1970, hoorden miljoenen Amerikanen president Nixon in een televisierede verklaren dat de Verenigde Staten een 'beklagenswaardige hulpeloze reus' zouden worden, als niet in Zuid-Oost-Azië orde op zaken werd gesteld. “Ik doe liever wat volgens mij goed is voor het land”, zei hij, “met als mogelijke consequentie dat ik niet word herkozen, dan dat ik tijdens een eventuele tweede ambtstermijn moet toezien hoe Amerika een tweederangs macht wordt”. Een opmerkelijke uitspraak van een president die, zo blijkt nog eens uit Grand Expectations van de historicus James Patterson, nu juist alle middelen aanwendde om maar te worden herkozen, en dat uiteindelijk moest bekopen met zijn voortijdig vertrek.

Van de optimistische can-do sfeer van vlak na de Tweede Wereldoorlog was weinig meer over, toen president Ford in 1974 na Watergate het roer van Nixon overnam. Amerika was in de ban van de oliecrisis en van de grenzen aan de economische groei. De nederlaag in Vietnam veroorzaakte langdurige evenwichtsstoornissen bij een groot deel van de bevolking. De crises en de schandalen van de jaren zestig en zeventig hadden diepe sporen nagelaten. Patterson citeert twee populaire bumperstickers uit het begin van de jaren zeventig ter illustratie van de verdeeldheid van de bevolking. Een was van de vakbonden: 'Als je honger hebt, en je bent werkloos, eet dan een milieudeskundige op'. De ander van de vrouwenbeweging: 'Weiger vanavond te koken, laat een rat verhongeren'.

Grand Expectations is het derde deel in de prestigieuze Oxford History of the United States. In eerdere boeken werden de Amerikaanse Revolutie en de Burgeroorlog behandeld. Het deel over de Burgeroorlog, The Battle of Freedom, geschreven door James McPherson, won vele prijzen en stond langdurig op de bestsellerlijst. Nog acht boeken staan op stapel, waaronder een over de economische geschiedenis van de Verenigde Staten. Voor elk deel is een eminent historicus aangezocht door C. Vann Woodward, die de serie redigeert. James Patterson schreef eerder onder andere een geschiedenis van Amerikaanse armoede in de twintigste eeuw, over kanker en de moderne Amerikaanse cultuur en een biografie over de Republikeinse senator en isolationist Robert Taft.

Tussen 1945 en 1974 koesterde Amerika volgens de schrijver de illusie een betere wereld in het buitenland te kunnen maken, en een gelukkiger samenleving in het binnenland. De wapenwedloop en een zogenoemde rechtenexplosie waren daarvan de, aanvankelijk onbedoelde, gevolgen. De eerste werd noodzakelijk geacht om minimaal gelijke tred te houden met de Sovjet-Unie, en leidde indirect tot het ontstaan van een militair-industrieel complex en een 'koude oorlogscultuur'. De tweede zou, hoopte men, definitief een eind maken aan de hardnekkige onrechtvaardigheid op allerlei gebied, van rassenbetrekkingen tot en met het milieu, dat zonder beschermende maatregelen kansloos werd geacht tegen de vervuilende industrieën. De onfortuinlijke neveneffecten daarvan waren een gestaag uitdijende bureaucratie en een steeds gereglementeerder en complexer samenleving, waarin alleen specialisten - veelal juristen - de weg leken te weten. De reactie liet niet lang op zich wachten. Ter linkerzijde van het politieke centrum werd geageerd tegen de Amerikaanse pretenties op buitenlands gebied. Entrepeneurs en conservatieven, met name blanken uit het Amerikaanse zuiden, kwamen in het geweer tegen de binnenlandse intitiatieven.

Strangelove

Grand Expectations is een bijzonder geslaagd boek, dat helaas wordt ontsierd door een flink aantal taalfouten. Terecht laat Patterson dikwijls het verhaal los, om zich aan een interpretatie van belangrijke gebeurtenissen te wagen. Dat levert fraaie analyses op, bijvoorbeeld over de sporen die het McCarthyisme heeft nagelaten in de Amerikaanse cultuur. Minder verrassend is zijn oordeel over de presidenten. Truman en Eisenhower komen er redelijk van af, over Kennedy is hij kritisch, over Johnson en Nixon uiterst kritisch. Henry Kissinger zal het boek met gemengde gevoelens ter hand nemen. Zijn enorme invloed op de buitenlandse politiek in de jaren zeventig wordt erkend. Maar de nationale veiligheidsadviseur en, vanaf 1973, minister van buitenlandse zaken onder Nixon wordt ook 'arrogantie, extreem egoïsme' en 'kruiperig en achterdochtig' gedrag verweten. Tijdens de Yom Kippoeroorlog in 1973 bracht Kissinger Amerikaanse troepen wereldwijd in de hoogste staat van paraatheid, zonder daarvan Nixon, die sliep, op de hoogte te brengen. Strangelove-dag in Amerika, schreef journalist Elizabeth Drew destijds. Een conclusie waar Patterson zich van harte bij aansluit.