Toverkollen, waarzeggers en demonen in de Middeleeuwen; In het duister tobbende plattelanders

Jean-Claude Schmitt: Bijgeloof in de Middeleeuwen. vertaling Renée de Roo-Raaymakers. Met een nawoord van Marco Mostert. Uitg. Sun, ƒ 29,50.

Stephanus van Bourbon, schatbewaarder van dertiende eeuwse wetenswaardigheden, had zó vaak boeren met zieke kinderen langs zijn klooster zien lopen dat hij hen ten slotte, nieuwsgierig geworden, achterna ging. Hun bestemming bleek het graf van de heilige Guinefort te zijn, waar de kinderen aan geneeskrachtige rituelen werden onderworpen.

Wonderdadige graven waren er meer in Europa, maar dit graf had iets bijzonders: de heilige die er in rustte was een windhond. Het dier had het kind van zijn meester tegen een slang verdedigd, maar de meester had dat te laat begrepen en zijn trouwe viervoeter gedood. Zo was de wereld een kind-vriendelijke martelaar rijker geworden, en zag de inquisitie zich genoopt paal en perk te stellen aan de verering van heilige honden.

Het is één van de verhalen waarmee de Franse historicus Jean-Claude Schmitt zijn monografie over middeleeuws bijgeloof illustreert. Berichten over bijgeloof zijn doorgaans afkomstig van het geloof dat er zich tegen afzet; in de Middeleeuwen was dat de Katholieke Kerk. Het zijn dan ook vooral preken, boeteboeken, exempels en inquisitie-rapporten waarover de onderzoeker zich moet buigen, en die garanderen hem een interessante en kleurrijke oogst. Het is waar dat ze ook nadelen meebrengen, zoals hun taalgebruik dat gedrenkt is in een vandaag ongewenste discriminatie. het woord bijgeloof zelf is daar een voorbeeld van. Het heeft een negatieve lading, en mist een neutraal alternatief. Tegenwoordig sluit men dat soort woorden nogal eens in de dwangbuis van aanhalingstekens. In het boek van Schmitt herhalen 'bijgeloof' en 'bijgelovig' hun excuses op vrijwel iedere bladzij.

Waar een geloof beleden wordt, is bijgeloof zelden ver weg. De scheidslijn is vaak moeilijker te trekken en voor sommigen in het geheel niet waarneembaar, vooral als ook het 'hoofdgeloof' over magische elementen beschikt. De geschiedenis leert dat het geloof van gisteren het bijgeloof van morgen kan zijn en dat bijgeloof een bestanddeel kan vormen van hoofdgeloof; en dan hebben we het nog niet eens over hun onderlinge wisselwerking, of over de grens tussen bijgeloof en ketterij. Toetssteen van dit alles is in de Middeleeuwen uiteraard de leer van de Kerk, waarmee niet gezegd is dat haar criteria steevast van de Heilige Geest afkomstig waren.

In dat labyrint zoekt Jean-Claude Schmitt naar de ware gestalte van laat-middeleeuws volksgeloof en hij doet dat met een sterk gevoel voor samenhang en historiciteit. Hij laat zien hoe in de eerste eeuwen de zielzorgers, Augustinus voorop, de handen nog vol hebben aan het uitroeien van antiek-heidense restanten. Zijn die eindelijk verdwenen, dan wordt de oude voor-christelijke kloof weer zichtbaar die min of meer verlichte stedelingen scheidt van in het duister tobbende plattelanders. Sinds de twaalfde eeuw ongeveer zien we hoe daar, in die dorpen, het legendarische bijgeloof endemisch wordt met al zijn parafernalia van toverkollen en waarzeggers, dolende doden en horden van demonen. Als we ons al excuseren voor de term 'bijgeloof', dan toch bepaald niet om het 'in zijn waarde te laten'! Middeleeuws bijgeloof is afschuwelijk, de romantiek die latere geslachten eraan ontlenen is vals. Het trekt sporen van doodsangst en ontgoocheling juist door de onderste - vaak nog onvrije - lagen van de bevolking, en laat ook het 'ware geloof' van de kleine man niet ongemoeid. Er moet heel wat aangerommeld zijn in het schemergebied van wel en niet geoorloofde occulte praktijken. Met verbazing kijken we naar een Kerk die heksen verbrandt, goedaardig bijgeloof toestaat ('Sortes apostolorum'!), en lichtgelovige analfabeten uit hun zwarte nachtmerries tracht te halen. Dat de auteur zijn schokkend relaas ten slotte laat uitmonden in een ere-saluut aan de 'Rede' van de Verlichting is niet verwonderlijk.

De 'oer-versie' van Schmitts boek was een hoofdstuk in een veel breder opgezette 'Histoire de la France religieuse'. Binnen dat verband was het niet nodig, in het hoofdstuk over Bijgeloof nog eens te herhalen dat het werkterrein in Frankrijk lag. Bij de separate Nederlandse uitgave had dat wèl moeten gebeuren, liefst in de titel. Het boek stelt niet alleen Franse bijzonderheden als algemeenheden voor (begindatum en viering van het Nieuwe Jaar bijvoorbeeld) maar onthoudt zijn lezers ook interessante parallellen en verbindingslijnen met het buitenland. Hoe komt, bijvoorbeeld, de heilige hond Guinefort - zie boven - aan een bijna letterlijke pendant in Wales? Al wat we vernemen is, dat Schmitt daarover 'elders' heeft geschreven. Wat, en waar dan, blijft een geheim. Bij een dergelijke opmerking had een voetnoot moeten staan, maar voetnoten zijn in het hele boek niet te vinden. Zelfs duistere zaken ('het beroemde boek van Achmet', of 'het zogenaamde veter-of-nestelknopen') blijven onverklaard. Waar het boek toch kennelijk mikt op ontwikkelde niet-specialisten, mag men zich afvragen of de lezers niet meer geholpen waren geweest met wat uitvoeriger commentaar dan met het voorwoord waarin de auteur zich in de eerste plaats richt tot kritische vakbroeders.

De Nederlandse mediëvist Marco Mostert heeft in een nawoord welkome biografische gegevens bijeengebracht over de auteur, zijn loopbaan en status, en de 'Annales'-school waartoe hij behoort. De Nederlandse vertaling is zorgvuldig, maar soms wat stroef. Het boek bevat unieke illustraties. Jammergenoeg zijn ze lelijk afgedrukt.

    • Helene Nolthenius