Plaag

Één keer in de twee weken op woensdagochtend komt hier de insectenverdelger. Hij zit bij de huur inbegrepen. Op zijn rug draagt hij een grote fles, gevuld met gif. Ook heeft hij een schepje bij zich, zodat hij de lijkjes mee naar huis kan nemen. Soms kijkt hij me een beetje onderzoekend aan en dan zegt hij: “Weer geen lijkje”. Hij denkt dat ik de lijkjes opeet.

Het heeft allemaal niet geholpen. Op maandag 5 juli brak in mijn keuken een insectenplaag uit. Ik wil niet in details treden. Mensen zouden mij een viezerik vinden. Maar ze kwamen met tientallen tegelijk van onder het fornuis en de afwasmachine. Het leek wel alsof ze ergens voor op de vlucht waren.

Ze waren groot en zwart en hun bewegingen leken me ongecoördineerd. Af en toe liepen ze zelfs over elkaar heen, maar dat kan ook met ruimtegebrek te maken hebben. In minder dan een kwartier hadden ze zich door mijn hele woning verspreid. Ik had de deur van mijn slaapkamer meteen dicht gedaan, maar ze kropen gewoon onder de deur door.

Diezelfde avond belde ik de insectenverdelger. Eerst kreeg ik zijn vrouw die vertelde dat haar man 's avonds niet aan de telefoon kwam, maar toen ik haar de ernst van de situatie uitlegde zei ze: “Ik zal hem even roepen.”

De insectenverdelger verlangde dat ik de insecten nauwkeurig voor hem beschreef. “Luister”, zei ik, “ik ben geen expert. Maar ze zijn ongeveer zo groot als mijn hand, en zwart. Sommige kruipen tegen de muren op, andere nestelen zich onder oude kranten. Ik heb het idee dat ze daar huisjes aan het bouwen zijn. Sommige klimmen zelfs op mijn schoenen. Ze zijn ook in mijn slaapkamer. Ik ben niet van plan mijn bed te delen met een insectenfamilie. Mijn geloof verbiedt me dat zelfs nadrukkelijk, dus ik zou graag willen dat u vanavond nog komt.”

“Het is de hitte”, zei de insectenverdelger, “en het zijn de oude huizen.”

“Je gaat niet”, hoorde ik zijn vrouw op de achtergrond roepen. Maar de insectenverdelger zei: “Ik ben er over een half uur.”

Voor de gelegenheid had hij kaplaarzen aangetrokken. Hij had zijn schepje bij zich en ook een grote vuilniszak. Hij bestudeerde de insecten met veel interesse. “Kunnen ze ziektes overbrengen?”, vroeg ik. “Alles wat leeft kan ziektes overbrengen en veel dingen die niet leven kunnen ook ziektes overbrengen”, zei de insectenverdelger.

Hij scheen met een zaklantaarn onder het fornuis. Toen zei hij: “Ik denk dat er net ergens een nest is uitgekomen, dit zijn jonkies.”

“Maar ze zijn al zo groot. Hoe moeten ze eruit zien als ze volwassen zijn? Dan zijn ze misschien wel groter dan mijn voet. Straks is er voor mij geen plaats meer in deze woning.”

Ik had wel eens in de stadsbijlage van de krant gelezen over mensen die uit hun huis waren verdreven door insecten.

Hij klopte met zijn gehandschoende hand op mijn schouder. Hij had zo'n felgele rubber handschoen aan.

“Maak je niet ongerust”, zei hij, “even een slokje water en dan ga ik dood en verderf zaaien.”

“Ja”, zei ik, “doe dat. Zaai vooral dood en verderf, zoveel als u kunt. Als u wat meer dood en verderf zaait dan gewoonlijk zal ik u een grote fooi geven.”

Hij installeerde een tuinslang aan de fles die op zijn rug zat. “Het zal wel gaan stinken”, zei hij, “maar als ik weg ben moet je maar even goed luchten.”

Zodra de insecten met het spul van de verdelger in aanraking kwamen veranderden ze van kleur en bleven bewegingloos liggen. Toen de verdelger ook aanstalten maakte mijn boekenkast te bespuiten zei ik: “Mijn boeken hoeven niet.”

“Jawel”, zei hij, “ze houden van oud papier.”

In tien minuten was het gebeurd.

Een enkele bewoog nog, maar de verdelger zei: “Die houdt zo op met bewegen.”

Met zijn schepje veegde hij de lijkjes in zijn vuilniszak. “Je zult de komende dagen nog wel meer lijkjes vinden, maar die moet je maar zelf naar buiten brengen.” Toen sloeg hij de vuilniszak als een zak aardappelen over zijn schouder en verliet mijn woning.

De dagen daarna heb ik nog minstens twintig lijkjes gevonden, sommige vielen uit mijn boekenkast.

Dit was de eerste plaag die mij trof.

Diezelfde week sloeg de bliksem in de telefoonleiding. Het gehele blok kwam zonder telefoon te zitten. Ik heb twee nummers. Een geheim nummer en een iets minder geheim nummer. Op het geheime nummer ben ik nog maar twee keer gebeld. De eerste keer was op een ochtend in mei. Ik nam op en hoorde: “Good morning, cocksucker.” Een 'cocksucker' is iemand die een piemel in zijn mond neemt en daarop dan gaat zuigen als ware het een fopspeen.

“Met wie spreek ik?”, vroeg ik. Maar degene die mij 'cocksucker' had genoemd wilde anoniem blijven.

Twee weken later ging weer mijn geheime telefoon. Dit keer hoorde ik: “Good evening, cocksucker.”

Het is een merkwaardig idee dat een van de weinige mensen die mijn geheime telefoonnummer kennen mij opbelt om mij te vertellen dat ik een 'cocksucker' ben.

Na de blikseminslag was er drie dagen geen telefoon. “God denkt dat ik de farao ben”, zei ik tegen het meisje van de telefoonmaatschappij, “eerst insecten, toen de bliksem, wat zal de volgende plaag zijn?”

Toen de telefoon het eindelijk weer deed was een van de eersten die mij belde de fotograaf die mij een paar weken daarvoor had gefotografeerd.

“De foto's zijn klaar”, zei hij, “ik ga alleen je neus nog een beetje retoucheren. Ik ga hem ietsje rechter maken, maar niet te veel, want dan herkennen ze je niet meer.”

“Nee”, zei ik, “dat moeten we ook niet hebben.”

Toen hij ophing bedacht ik me dat ik misschien wel de eerste schrijver zou zijn die achterop zijn boek zou komen te staan met een geretoucheerde neus. Dat gaf me een goed gevoel.

    • Arnon Grunberg