Nederland verkoopt overtollig wapentuig

ROTTERDAM, 26 JULI. De vijftig bijna dertig jaar oude Leopard-I tanks die Nederland aan Botswana wil verkopen behoren tot een enorme partij militair materieel waarvoor klanten worden gezocht. Het wapentuig is overtollig sinds na afloop van de Koude Oorlog is besloten de krijgsmacht in te krimpen.

Bij pogingen om hiervoor afnemers te vinden zijn sinds 1993 wapenbrochures naar Nederlandse ambassades gestuurd met het verzoek regeringen op de Nederlandse aanbiedingen te wijzen.

Gevechtsvliegtuigen, troepentransportvliegtuigen, helikopters, raketten, fregatten, onderzeeërs, mijnenvegers, tanks, gepantserde voertuigen, jeeps, raketlanceerinrichtingen, vrachtwagens, radarinstallaties, artillerie in alle soorten, machinegeweren, lichte geweren, pistolen, mijnen, explosieven en munitie, het valt zo gek niet te bedenken of de Staat der Nederlanden heeft het de afgelopen jaren in de aanbieding gedaan. De oudste produkten dateren van de Tweede Wereldoorlog, de jongste zijn pas tien jaar oud. Toch is Nederland maar een kleintje op de internationale ranglijst van wapenexporterende landen.

Volgens de laatste cijfers van het Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI), die binnenkort worden gepubliceerd, stond Nederland in de periode 1991 tot 1995 op de zevende plaats op de wereldranglijst van leveranciers van zware conventionele wapens. SIPRI houdt bij onderzoeken naar de internationale wapenhandel geen rekening met zaken als geweren, lichte artillerie, munitie, onbewapende voertuigen en onderdelen. Bovendien zijn de bedragen waarin SIPRI de omvang van wapenhandel uitdrukt fictief, omdat exacte cijfers over wijzen van betaling en eventuele compensatieorders dikwijls niet openbaar worden. De SIPRI-cijfers geven slechts tendenzen aan.

Die zevende plaats van Nederland op de wereldranglijst van wapenexporteurs lijkt op het eerste gezicht heel wat. Maar Nederland is met die plaats de grootste van de kleintjes.

Duitsland stond in deze jaren aan de Europese top met een wapenuitvoer die vijf keer groter was dan die van Nederland.

Pagina 3: Wapenexport helft kleiner sinds eind Koude Oorlog

De grootste wapenexporteur, de Verenigde Staten, heeft tegen de vijftig procent van de wereldmarkt in handen en exporteert volgens het SIPRI dertig keer meer dan Nederland.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag meldde vorige maand in een brief aan de Tweede Kamer dat Nederland in 1995 uitvoervergunningen voor militair materieel heeft verstrekt voor een totale waarde van 1.028.725.621 gulden (dat is nog geen procent van de totale Nederlandse export). Ruim de helft van dit bedrag had betrekking op wapenuitvoer naar NAVO-landen. De waarde van dit officiële getal is echter beperkt omdat niet duidelijk is in welke mate van de vergunningen gebruik is gemaakt, omdat voor België en Luxemburg geen exportvergunning vereist is en bovendien omdat Nederland geen vergunning eist voor materieel waarvoor een in de civiele sector volledig bekende techniek is gebruikt die niet specifiek voor militaire doeleinden geldt.

Dat laatste heeft tot gevolg dat legervrachtwagens niet als militair materieel beschouwd worden. Dr. J. Colijn en dr. P. Rusman van het Instituut voor Internationale Studiën van de Leidse universiteit, die zich hebben gespecialiseerd op het gebied van wapenhandel, hebben dan ook in 1993 kunnen signaleren hoe het jaar daarvoor via de Nederlandse opkoper Boogert uit Leiden en Duitse tussenpersonen oude Nederlandse legervrachtwagens in Kroatië terechtkwamen in weerwil van het wapenembargo van de Verenigde Naties tegen de republieken van het voormalige Joegoslavië.

Het einde van de Koude Oorlog betekende wereldwijd een enorme klap voor de wapenhandel. Volgens een berekening van het SIPRI had de wapenhandel in 1987 nog een waarde van meer dan 45 miljard dollar. In 1993 was de waarde van de verhandelde wapens in de wereld gedaald tot bijna 22 miljard dollar. Zuidoost Azië is op het ogenblik de enige groeimarkt voor wapenfabrikanten. De teruggang van de wapenhandel heeft geleid tot grote problemen bij de wapenindustrie.

In de Verenigde Staten is sprake geweest van grootscheepse saneringen en fusies. In Europa zijn de reorganisaties later op gang gekomen. Geheel tegen de trend in is het belang van Duitsland als wapenexporteur de laatste jaren toegenomen. Dat betekent niet dat de Duitse wapenindustrie - ver de mindere van de Britse en de Franse - is gegroeid. Duitsland, dat nu bezwaar heeft tegen de levering van oude Nederlandse tanks aan Botswana, is een grotere wapenleverancier geworden door de levering van oud materieel van zowel het oude West-Duitsland als van de voormalige DDR. Zo heeft Duitsland oude DDR-schepen aan Indonesië geleverd en tanks aan Finland.

De Nederlandse wapenindustrie heeft ook flink geleden onder de na de Koude Oorlog ingestortte markt. Grote wapenexporteurs zijn tradidioneel Hollandse Signaalapparaten (de tot het Franse electronicaconcern Thomson-CSF behorende producent van radarsystemen) en Fokker (militaire transportvliegtuigen). Verder leveren een reeks van bedrijven, zoals Philips, de Kruithoorn, Eurometaal en Tulip Computers, wapencomponenten. Bij het overzicht dat SIPRI vorig jaar publiceerde van Nederlandse wapens waarvoor opdrachten liepen ging het in hoofdzaak om Hollandse Signaalapparaten : Canada, Griekenland, India, Zuid-Korea, Maleisië, Oman, Pakistan, Quatar, Spanje, Thailand en Turkije, overal zijn Nederlandse radarsystemen geleverd.

De totale Nederlandse wapenexport is nog slechts vijftig procent van die van begin van de jaren tachtig. Voor de industrie betekent dat een inkrimping met meer dan de helft, want het exportcijfer is na de Koude Oorlog opgekrikt door de verkopen van overtollig militair materieel door de Nederlandse staat. Dit levert de Nederlandse defensiekas ongeveer tweehonderd miljoen gulden per jaar op. Sommige van de klanten zijn landen die ook Nederlandse ontwikkelingshulp ontvangen. Andere zijn NAVO-leden waarvoor speciale financiële regelingen bestaan. Zo heeft Nederland na de Koude Oorlog gevechtsvliegtuigen verkocht aan Turkije, fregatten, tanks en pantservoertuigen aan Griekenland, kanonnen aan Bahrein, pantservoertuigen (626 stuks) aan Egypte, fregatten aan Indonesië, kanonnen en fregatten een de Verenigde Arabische Emiraten, een bevoorradingsschip aan Pakistan en een mijnenveger aan Peru.

Omdat veel landen hun militaire apparaat inkrimpen gaat het tweedehands materieel weg tegen dumpprijzen. De tanks die Nederland aan Botswana wil leveren kosten 100.000 gulden per stuk. Daarnaast heeft Nederland nog anti-tank geschut en legervrachtwagens aan Botswana verkocht. De totale order heeft een waarde van dertien miljoen gulden, drie miljoen meer dan wat het land jaarlijks aan ontwikkelingshulp van Nederland ontvangt.

Overigens kan niet iedereen van Nederland wapens kopen. De Staat der Nederlanden verkoopt wapens in principe alleen aan regeringen. Volgens de Wapenexportnota uit 1991 verstrekt het ministerie van Economische Zaken geen vergunningen voor export van militair materieel aan landen waartegen een internationaal wapenembargo van kracht is, aan landen in spanningsgebieden en aan landen waar het gevaar bestaat dat wapens worden gebruikt ter onderdrukking van de eigen bevolking. In de praktijk blijken die criteria zeer uiteenlopend geïnterpreteerd te worden. Zo wees in 1992 de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek een eenzijdig Nederlands wapenembargo tegen Turkije af, hoewel door Nederland geleverde straaljagers tegen de eigen Koerdische bevolking konden worden ingezet.

    • Ben van der Velden