Killer dan met rijp bedekte sneeuw; Geheim vrouwenschrift in China

Vrouwenschrift. Verhalen en liederen in het geheime vrouwenschrift van Jiangyong. Gekozen, vertaald en toegelicht door W.L. Idema. Uitg. Meulenhoff, 224 blz. Prijs ƒ 39,90

Vrouwen namen in het feodale China een weinig benijdenswaardige positie in. Alleen mannen hadden het recht om naar school te gaan en te studeren, om ambtenaar te worden en om zich aan sociale activiteiten te wijden. Toch gaven vrouwen in China lucht aan onvrede en frustratie in een door vrouwen ontwikkeld schrift. In dit vrouwenschrift, met deze teksten, die vooral bedoeld waren om voorgedragen te worden, konden zij, behalve hun wanhoop beschrijven, tijdelijk verveling of moeheid verdrijven. Omdat het elke maatschappelijke relevantie ontbeerde, deden mannen zelfs geen poging het afwijkende schrift te leren; vrouwen konden daarom over hun ellende schrijven zonder zich zorgen te maken over wat het patriarchale gezag ervan zou vinden.

De recent verschenen bundel Vrouwenschrift bevat, vertaald en uitvoerig toegelicht door W.L. Idema (bekend van zijn voortreffelijke Spiegel van de klassieke Chinese poëzie) een aantal van de bewaard gebleven vrouwenteksten. Voor een deel zijn dat korte liederen over huwelijk, vrouwenvriendschap, liefde, armoede en wat vrouwen verder bezighield. Daarnaast bevat de bundel lange autobiografische balladen, die telkens een heel leven bezingen, of liever: beklagen. Het derde deel bestaat uit vertalingen en bewerkingen door vrouwen van teksten uit de 'mannenliteratuur', de literatuur die in standaardschrift werd geschreven.

Omtrent de oorsprong van het vrouwenschrift bestaat geen duidelijkheid, zomin als over de vraag waarom het gebruik ervan altijd tot het district Jiangyong beperkt is gebleven. Dat het een vereenvoudiging is van het standaardschrift is zeker, dat het ontstond in de negentiende eeuw waarschijnlijk. Verder moeten we het doen met plaatselijke legendes. Sommige daarvan verbinden het onstaan van het vrouwenschrift met de verering van bepaalde godinnen; andere concentreren zich op de uitvindster van het schrift, in alle verhalen een intelligent, begaafd en voorbeeldig meisje. Zoals de legende over Panqiau, die niet alleen uitmuntte in handwerken en koken maar ook in het zingen van liederen.

'De oude mensen zeiden allemaal', zo gaat de legende, 'dat er op aarde alleen maar zo'n schrander meisje als Panqiau kon bestaan omdat de God van de Literatuur uit de hemel was geïncarneerd in het verkeerde geslacht.' Ontvoerd naar een verre streek zint ze op een manier om, ondanks haar ongeletterdheid, haar zusters een brief te schrijven. 'De beste hulp is eigen hulp! De karakters op deze wereld zijn ook eens door iemand gemaakt, dus waarom zou ik niet mijn eigen soort van karakters maken om aan mijn familieleden een lijst van mijn ellenden te sturen?'

De toon van de vrouwenteksten is met deze legendarische uitspraak gezet: in geen van de teksten staan veel tierlantijnen, de stijl is nuchter en rechttoe-rechtaan. Dat je toch het gevoel hebt poëzie te lezen, ook al is het dan van huis-tuin-en-keukenniveau, komt door het consequent volgehouden metrum - het oorspronkelijke rijm is in de Nederlandse vertaling niet gehandhaafd - en aan de beelden die her en der opduiken.

Vaak zijn dat echter standaardbeelden, zodat ze in de loop van de bundel niet aan een zekere slijtage ontsnappen. Zo heet een vrouwenleven regelmatig 'killer nog dan de sneeuw bedekt met rijp', en is wie verdriet heeft 'als door een mes gestoken'. Ook thematisch geeft de legende de teneur aan: veelal gaat het om een 'lijst van ellenden'. Of het nu het gedwongen huwelijk met een onbeminde of juist het verlies van een beminde man betreft, het baren en opvoeden van kinderen of juist het gemis daarvan, te zware arbeid of verveling, het vrouwenleven is getekend door leed.

Dit leed neemt een aanvang bij de geboorte - de teleurstelling van de ouders dat het maar een meisje is - en met wat pech achtervolgt het de vrouw tot aan haar dood: niets is erger dan een zoon die zijn oude moeder niet de vereiste 'kinderlijke piëteit' betuigt.

Een zekere eentonigheid is het onvermijdelijke gevolg, zeker in de wat langere ballades. De eenvormigheid van formuleren draagt daartoe bij, en natuurlijk vooral de eenvormigheid die vrouwenlevens traditioneel nu eenmaal kenmerkte. Maar meer nog - en daarover wordt in Vrouwenschrift niet gesproken - zal het te maken hebben met een soort mentale eenvormigheid. Hoe zouden laag opgeleide vrouwen in een sterk geritualiseerde samenleving, met een streng geformaliseerd menselijk verkeer, waarin zijzelf onveranderlijk een ondergeschikte positie innemen, een onafhankelijke en originele denkwijze moeten ontwikkelen? En welke boodschap zouden zij, met al hun dagelijkse besognes, trouwens hebben aan originaliteit? De schrijfsters van vrouwenteksten delen niet alleen dezelfde levensomstandigheden maar ook dezelfde levensvisie, niet alleen dezelfde zorgen maar ook dezelfde moraal. Eerder dan een verzameling intieme, hoogstpersoonlijke ontboezemingen van Chinese vrouwen is Vrouwenschrift daarom een monument voor dé vrouw in het feodale China.