In de burcht Lucilinburhuc; Het lege Luxemburgs Historisch Museum

Het Luxemburgs Historisch Museum is een prachtig gebouw, maar er is weinig in te zien. Temidden van het warme houtwerk vallen de materiële getuigenissen van duizend jaar Luxemburgse geschiedenis in het niet.

Musée d'Histoire de la Ville de Luxembourg, Rue du Saint-Esprit 14. Di, wo, vr t/m zo 10-18u, do 10-20u. Cat. 450 LuF (plm. 25 gulden).

De lift is kapot, zegt de zenuwachtig patrouillerende suppooste tegen iedereen die binnenkomt. In een gewoon museum zou niemand zich er druk over maken, in het Historisch Museum van de Stad Luxemburg is dit een serieuze zaak. Niet alleen omdat het gloednieuwe museum zes verdiepingen telt, maar vooral omdat de 'ascenseur panoramique' een belangrijke attractie is. Bij gebruikmaking van de grote glazen lift, zo beloven de folders, ziet de bezoeker de historische gelaagdheid van de stad Luxemburg aan het oog voorbijtrekken - 'duizend jaren in een paar minuten tijds.'

In afwachting van de liftreparateurs kunnen we door de glazen wanden van de liftkoker (oppervlakte 18 vierkante meter) niet meer dan glimpjes opvangen van de Luxemburgse gelaagdheid: helemaal beneden de rots waarop de bovenstad is gebouwd (la corniche), dan een steengewelf uit de late Middeleeuwen, en daarboven de muren en vloeren van de achttiende- en negentiende-eeuwse herenhuizen die door de Luxemburgse architecte Conny Letz en het Parijse bureau Repérages grondig verbouwd werden. Ook over de didactische opzet van het museum is diep nagedacht. Zoals de stad Luxemburg gekenmerkt wordt door de tegenstelling tussen het centrum op de rots en de benedenstad aan de rivier de Alzette, zo bestaat het museum uit twee delen: de verdiepingen onder het straatniveau moeten een beeld geven van de historische en architectonische ontwikkeling van de stad, de hogere niveaus zijn gewijd aan de sociaal-culturele geschiedenis.

De nerveuze suppooste wijst erop dat de uitgezette route door het museum op de onderste verdieping begint, daar waar de panorama-lift normaal gesproken zou neerdalen. Als we via de achteraftrappen in de kelder zijn aangekomen, lijkt het alsof we zijn beland in het hoofdkantoor van een hoogvermogende bank. Overal glanst goudbruin essenhout: op de vloer, waar het soms in bijzondere patronen gelegd is; aan de wand, die tot aan het (houten) plafond is betimmerd met panelen; in de ombouw van de computerschermen die her en der staan opgesteld om de bezoeker digitaal informatie te verschaffen. De sfeer van een chic bankgebouw wordt nog versterkt door de zwartlederen fauteuils aan weerszijden van de schermen; ze geven zo'n gevoel van luxe dat je in de verleiding komt om geen stap meer te verzetten en het bezoek aan het museum virtueel, via het documentaire computersysteem, af te leggen.

Graaf Siegfried

Ook in de eerste tentoonstellingszaal, waar de vroegste geschiedenis van Luxemburg wordt geïllustreerd, is het vooral de weelderigheid die indruk maakt. Bijna anderhalf miljard Luxemburgse franken (75 miljoen gulden) heeft de bouw van het eind juni geopende museum gekost, en die zijn duidelijk niet alleen besteed aan verborgen aanpassingen. Temidden van het warme houtwerk en de strak afgewerkte zwarte vitrines vallen de materiële getuigenissen van duizend jaar Luxemburgse geschiedenis enigszins in het niet. Het zijn er ook betrekkelijk weinig. Het spectaculairst is nog de oorkonde uit 963 waarin de abt van het klooster Sankt-Maximin in Trier aan Graaf Siegfried van Ardennen de burcht Lucilinburhuc schenkt. Het is de eerste keer dat er officieel melding wordt gemaakt van het fort op de rotspunt boven de Alzette (le Bock) dat er al sinds eeuwen her geweest moet zijn.

In de Romeinse tijd lag Luxemburg-Stad op het kruispunt van twee grote wegen, de heirbaan van Metz naar Aken en die van Aarlen naar Trier (in het huidige stratenplan terug te vinden als Grand-Rue); een Romeins legerkamp of een handelscentrum was er niet gevestigd. Niettemin is het jammer dat het Historisch Museum van de Stad Luxemburg de geschiedenis pas in de tiende eeuw laat beginnen. Wie iets te weten wil komen over de pre- en protohistorie van de stad is aangewezen op de computerschermen die Twee voor Twaalf-achtige animatiefilmpjes te zien geven. Je moet er wel geduld voor hebben, want de beelden bewegen langzaam en bij iedere interactieve handeling stuit je secondenlang op de mededeling 'een moment alstublieft'.

Hoe de stad na de overname door Graaf Siegfried groeide, is te zien op de trots van het museum: zes grote maquettes van de felbegeerde vestingstad in achtereenvolgens de jaren 1000, 1500 (onder de Bourgondische hertogen), 1683 (na de inname door de Zonnekoning), 1795 (na 80 jaar economische vooruitgang onder de Oostenrijkse Habsburgers), 1867 (toen de vesting werd ontmanteld) en 1910 (nadat de aanleg van het spoor de stad had opengelegd). De houten maquettes, allemaal op dezelfde schaal 9 vierkante meter, zijn even strak en stijlvol uitgevoerd als de rest van het museum. Ze zijn een lust voor het oog, maar niet al te verhelderend. Staande boven al het ongelakte essenhout snakt de verwende bezoeker naar een paar contrastrijke kleuren en naar een duidelijke legenda. Het esthetisch gevoel van de museuminrichters heeft het informatieve gehalte van de uitstalling tot een minimum beperkt.

Spaanse helm

Toch zijn de onderste verdiepingen, met hun oude oorkonden, hun kerkschatten, hun maquettes en hun aandacht voor stadsontwikkeling, de aardigste van het Luxemburgs Historisch Museum. Hoe verder je stijgt, hoe minder spectaculair de inhoud van de zalen wordt. Natuurlijk, er zijn een paar pronkstukken, zoals de ijzeren Spaanse helm met hoge kam uit de zestiende eeuw of de barokke monstrans van Luxemburgs grootste goudsmid, Jean-Michel Kutzer, uit 1746; en ook de vele stadskaarten, plattegronden en gravures van 'Luceburgum' (onder meer van Blaeu) zijn de moeite waard. Maar de memorabilia die op de hoogste niveaus de sociale geschiedenis van Luxemburg moeten illustreren zijn alleen interessant voor geboren Luxemburgers van boven de zestig.

Een poster van de vereniging van vrouwengymnastiek, een portrettengalerij van oud-burgemeesters, het vaantje van de plaatselijke muziekvereniging - in een bescheidener museum of een ouderwetse stijlkamer zou je er glimlachend aan voorbij lopen; in het peperdure Historisch Museum van de Stad Luxemburg heeft het allemaal iets gênants. Je krijgt steeds sterker het idee dat er niet genoeg materiaal was om het kolossale museum te vullen en dat de samenstellers in wanhoop de antiquairs en bric-à-bracwinkels van het groothertogdom hebben afgestroopt om de zalen niet leeg te laten.

Het is niet dat de geschiedenis van Luxemburg niet boeiend genoeg is; de stad is keer op keer belegerd en veroverd en is geregeerd door de krankzinnigste figuren (zo trouwde de stichter met een vrouw die zich zeemeermin waande). Maar Luxemburg is nu eenmaal geen Parijs of Londen, en zelfs geen Amsterdam. Het is nooit de hoofdstad geweest van een wereldrijk en groeide nooit uit tot een centrum van kunst en cultuur. Luxemburg is een pittoresk maar slaperig provinciestadje dat tot in de negentiende eeuw als middelpunt van westelijk Europa strategische betekenis had en daarna vooral bekend werd door zijn drankproduktie, zijn handschoenenfabrieken en zijn Europese instellingen. Genoeg stof voor een paar zalen in een breder opgezet museum, maar veel te weinig voor de zes verdiepingen van het grand projet aan de Rue du Saint-Esprit.

'De geschiedenis van de stad Luxemburg is nauw verbonden met die van het land', leert de catalogus van het Historisch Museum. Hadden de inrichters van het museum die gedachte maar als uitgangspunt genomen. Het luxueuze state-of-the-art-gebouw had dan het omhulsel kunnen zijn van een permanente tentoonstelling over de geschiedenis van het Groothertogdom. Aan materiaal geen gebrek: het nabijgelegen Staatsmuseum voor Kunst en Geschiedenis heeft een uitstekende archeologische collectie, en organiseerde een paar maanden geleden nog een bewonderenswaardige tentoonstelling over Luxemburg in de Oudheid en Middeleeuwen, waar onder meer een deel van het onlangs gevonden Homerus-mozaïek uit Vichten te zien was.

In zijn huidige vorm is het Luxemburgs Historisch Museum nog het best te vergelijken met een perfect aangelegde monumentale tuin waarvan het terras is volgezet met plastic kuipstoelen en een Blokker-pergola. 'Zelden zag ik een zo grote discrepantie tussen vorm en inhoud' heeft een kritische Belg geschreven in het gastenboek dat bij de uitgang van het museum ligt. Een Engelse gast die na hem de vier kunstig aaneengesmede herenhuizen aan de Rue du Saint-Esprit bezocht, is nog puntiger: 'Much ado about not quite enough.'

    • Pieter Steinz