Ik heb mijn hart bitter toegesproken; Willem Wilmink vertaalde de Carmina Burana

In de Carmina Burana, een verzameling twaalfde-eeuwse liederen, hoeft men niet te zoeken naar kuise, hoofse liefde. 'Geef dan, God en Jupiter, dat ik nader tot mijn ster, en indien het haar behaagt, gauw een vrouw maak van die maagd.'

Willem Wilmink bewerkte de teksten die door Carl Orff op muziek zijn gezet.

Willem Wilmink: Carmina Burana. Orffs keus vertaald en ingeleid. Uitg. De Oare Útjouwerij, Enschede. Prijs ƒ 32,-. Inl. 053-4359229 Carl Orff: Carmina Burana, in vert. van Willem Wilmink, een ad hoc ensemble o.l.v. Frank Deiman (Amsterdam Classics, AC 19956)

Dobbelen, echt serieus dobbelen, waarbij iemand al zijn geld verspeelt, zou dat nog gebeuren? Je hoort er nooit meer van. Een echte dobbelaar zou misschien te vergelijken zijn met een gokverslaafde, die schijnen ook alles op het spel te zetten. Letterlijk. In de Middeleeuwen was het in sommige kringen in ieder geval een heel acceptabel tijdverdrijf (en dat was het toen al eeuwen, Tacitus beschrijft al hoe de Germanen met grote ernst alles verdobbelen, tot zelfs hun eigen vrijheid aan toe). Het is iets om even bij stil te staan als je regels leest als deze:

want ik dobbel

dus nu hobbel

ik je piemelnaakt voorbij.

Ze staan in Willem Wilminks vertaling van de Carmina Burana, een vertaling die hij zelf liever een bewerking noemt. En terecht, want hij heeft zich allerlei inhoudelijke vrijheden gepermitteerd ('Wondermooi is jouw gezicht,/ jij hebt ogen vol met licht,/ haar zoals Ruud Gullit heeft/ en een lijf waar alles leeft'), al heeft hij zich tegelijkertijd ook heel strikt aan de vorm van de oorspronkelijke, meest Latijnse, verzen gehouden. Die spreken gelukkig ook niet steeds van dobbelen, maar wel van 'het spel' - dat kan elke vorm van gokken zijn. Dus in een idioot dronkemanslied ('Ikke ben abt van het koekoeksklooster/ ik ben zuiplappenbeschermer en vrouwentrooster') klaagt iemand, alweer in zijn nakie, alweer zo eentje die alles verspeeld heeft:

Wanhoop, wanhooooop:

die het gokspel mij heeft aangedaan.

Zin en doel van mijn bestaan

zijn er heden aangegaan.

Daarbij blijft in het midden of hij te veel aan de fruitautomaat heeft gezeten of dat hij met pokeren of, wie weet, klaverjassen zijn hele garderobe verloren heeft. Alhoewel, een fruitautomaat zal wel geen onderbroeken accepteren.

Benediktbeuern

De Carmina Burana is een verzameling twaalfde-eeuwse teksten die in het begin van de vorige eeuw gevonden werd in het klooster van Benediktbeuern in Beieren ('Carmina Burana' betekent 'Liederen uit Beuern'). In de verzameling zaten een kleine driehonderd teksten, het overgrote deel in het Latijn, enkele doorspekt met Oud-Duitse en Provençaalse zinnen, en een aantal liederen geheel in het Oud-Duits. De handschriften, wellicht de privé-verzameling van een Duitse geleerde, bestaan uit drink- en speelliederen waarin hartstochtelijk gedobbeld en gedronken wordt, uit moralistische en satirische liederen, waarbij vooral de kerk en de geestelijke stand het moesten ontgelden, uit liefdesliederen en uit godsdienstige toneelstukken.

In haar boek The wandering scholars noemt de mediaeviste Helen Waddell de Carmina Burana met een aantrekkelijk gevoel voor romantiek 'the evidence of a lost world'. Elke wereld uit het verleden is een verloren wereld en alles wat er uit opduikt kan dienen als bewijsstuk dat die wereld echt bestaan heeft, maar sommige werelden zijn misschien wel meer verloren dan andere. De wereld waarin rondtrekkende geestelijken in het Latijn de geestelijkheid hoonden, flink dronken en vreeën en aan allerlei universiteiten studeerden, sowieso een wereld waarin het Latijn, al was het allang een dode taal, toch nog als levende en levendige taal gevoeld en gebruikt werd, is lang voorbij en moeilijk voorstelbaar.

Voor Willem Wilmink lijkt die wereld overigens veel minder voorbij dan voor menigeen. Hij heeft er al vaak blijk van gegeven zich thuis te voelen in de Middeleeuwen, dat wil zeggen, in de bewijsstukken van die verloren wereld. Hij vertaalde De reis van Sinte Brandaan en de Beatrijs, hij vertaalde veel middeleeuwse liederen en heeft al dikwijls gezegd dat de Middeleeuwen een soort kindertijd zijn. En aangezien hij naar eigen zeggen een jongen van elf gebleven is, voelt hij zich wel goed in die kindertijd. De opvatting van de Middeleeuwen als een kinderlijk tijdperk, zoals Johan Huizinga ze ook graag zag, is tegenwoordig minder populair, maar dat doet er niet toe. Wilminks toon in zijn vertalingen heeft een aanstekelijke kinderlijkheid, misschien zou je het eerder frisheid moeten noemen, of onbedorvenheid - het plezier in de gekkigheid, in het overdrevene, spat er even vrolijk van af als de lieftallig beschroomde opwinding van de puberale verliefdheidsliedjes.

Bij sommige van de in de Beuerse verzameling aangetroffen liedjes zat ook nog muziek, die later wel uitgevoerd en ook opgenomen is. Maar de Carmina Burana zijn, buiten de wereld van mediaevisten, toch vooral bekend geworden dankzij de selectie die de Duitse componist Carl Orff (1895-1982) eruit maakte. Het is ook zijn selectie die Wilmink vertaalde. Orff koos er 24, met een lichte nadruk op de liefdesliedjes, al zijn de kroegjool en de klachten over de onbestendigheid van het lot ook niet afwezig, en zette die op muziek. En wat voor muziek. Hevige koren, indrukwekkende slagen op gongs, pauken en bekkens en dan ineens weer intieme verstilling waarbij je de oren spitst om maar geen fluistering te missen, of lieftallige volksliedachtige wijsjes. Je hoort dat niet vaak aan muziek, maar bij sommige liederen, zoals dat malle lied van de geroosterde zwaan die zijn lot betreurt, klinkt de muziek zelfs ironisch.

Olympische Spelen

Er zijn mensen die Orffs Carmina niet kunnen aanhoren omdat ze het nazistische of zelfs fascistische muziek vinden. Het is waar dat Orff in de Nazi-tijd geen heldenrol in het verzet heeft gespeeld. Integendeel zelfs, hij was de Leni Riefenstahl van de muziek en componeerde de 'Festmusik' voor de Olympische Spelen in Berlijn in 1936. Een jaar later kwam hij met de Carmina Burana, die Hitler, naar verluidt, erg mooi vond. Tja. Dat kun je er natuurlijk niet aan af horen, zomin als iemand aan een herdershond kan zien dat dat nu typisch het soort hond is waar de Führer gek op was. Het is geen triomfalistische muziek, het is gewoon muziek. Volgens dirigent Frank Deiman, die het werk onlangs in Wilminks vertaling uitvoerde en op cd opnam, zelfs momenteel de meest uitgevoerde muziek ter wereld. En de teksten hebben al helemaal weinig met het Derde Rijk te maken.

Wie onverwacht de Carmina Burana te horen krijgt, nu liefst in die nieuwe helderklinkende Nederlandse uitvoering, schrikt misschien even van de krachtdadige aanzet. Maar wie blijft luisteren, die hoort veel moois en kan gemakkelijk in een langdurige neuriënde en zacht voor zich uit zingende stemming raken: “Heel ontdaan/ kom ik bij je staan:/ in het binnenst van mijn boezem/ is een vuurtje aan.” Het is een wijsje als een kinderliedje, maar met onverwachte versnellingen en verhevigingen die het weer boven het kinderlijke uittillen. Het Nederlands blijkt wonderwel bij Orffs muziek te passen, 'verfrissend' noemde Deiman het in een interview. Inderdaad lijkt zijn uitvoering een van alle stof ontdane, pas gewassen versie.

De liedteksten zelf zijn een wonderlijke mengeling van ernst en spot, schroom en brutaliteit, bedeesdheid en geilheid, inzicht in de menselijke conditie en wegwerperige branie. Het meest komen al deze gemoedstoestanden wellicht tot uitdrukking in de beroemd geworden 'Biecht', geschreven door een anonieme dichter die zich spottend 'archipoeta', 'aartsdichter', noemde. Van hem is erg weinig bekend. Hij moet een poosje de bescherming hebben genoten van de machtige kanselier van Frederik Barbarossa, hij had vast de tering want hij hoest en kucht in verschillende van zijn liederen en hij heeft een poosje in een klooster gezeten - veel meer is er niet over hem te zeggen. Hij wordt soms gelijkgesteld met een zekere 'Primas van Keulen' en ook wel met 'Primas van Orleans' maar wie hij was? Een van de vele rondtrekkende geestelijken, goed opgeleid maar straatarm, onaangepast maar talentrijk. Een 'vagant' zoals dat heette, iemand die hoorde bij de 'Ordo Vagorum', een zelfbenoemde orde die van van parodie en onzin aan elkaar hing. Er bestaat een schertsdecreet van deze orde waarin de gedragsregels voor vaganten opgesomd worden: men moet inconsistent en spotlustig zijn, nimmer op tijd opstaan voor de vroegmis want 's morgens zwerven er vreemde schepsels rond, men mag geen twee jassen hebben want iemand die twee jassen heeft die dobbelt niet goed, de tweede kan immers gemakkelijk verbrast worden. En vooral moet er gezworven worden langs 's heren wegen, dat is het belangrijkste. De middeleeuwse kerk was niet dol op deze geestelijken, die huldigde het principe 'ubi stabilitas, ibi religio', waar evenwicht is, is religie, en van stabiliteit was bij deze lustige zwervers weinig sprake. In de dertiende eeuw wordt het rondzwerven voor geestelijken verboden - maar de Carmina Burana zijn dan gelukkig al geschreven en veilig opgeborgen in de Codex Burana.

Biecht

De biecht van de archipoeta is wellicht een reactie op een berisping van zijn beschermheer over zijn levenswijze en het begin ervan is aangrijpend mooi:

Met mijn binnenste in brand

en in toorn ontstoken

heb ik hier mijn eigen hart

bitter toegesproken:

uit het lichtste materiaal

in elkaar gestoken

ben ik een blaadje in de wind

van zijn tak gebroken.

Er zijn veel vertalingen van die regels: 'van zeer aardse makelij,/ vederlichte delen,/ ben ik aan een blad gelijk/ waarmee de winden spelen' vertaalde Nico van Loenen bij voorbeeld in 1983. In zijn verhaal 'De smaak van groene kaas' (1965) maakte Alfred Kossmann een eigen vertaling die hem wonderwel bij zijn eigen leven en gemoedstoestand leek te passen: 'Dat uit slechte stof gemaakt,/ Sterveling dus misdeelde,/ Ik niet anders was dan 't blad/ Waar de wind mee speelde.' Want net als de Archipoeta heeft hij, zo schrijft hij, over zijn leven vaak het gevoel 'dat het maar wat met mij doet, mij naar willekeur of volgens duistere doelbewuste normen laat praten en handelen, dat het iets buiten mij is waaraan ik heb te gehoorzamen in plaats van iets dat ik maak, dat ik slachtoffer ben, gedrevene, echt middeleeuws, alsof ik de Confessio van de twaalfde-eeuwse Archipoëta tot de mijne mocht maken'.

Verderop in de 'Confessio' komt de vagantenhouding weer boven en bekent de Aartsdichter onbekommerd dat 'ernst en plicht en zwarigheid' hem niet kunnen schelen “Ik hou van een goeie grap/ en ik hou van spelen/ zal voor Venus alles doen/ wat ze zal bevelen”. Dat laatste voornemen wordt in menig lied tot uitdrukking gebracht.

De Carmina Burana zijn geschreven door verschillende auteurs, mensen van aanzien en positie zowel als onbekende vaganten, maar een zekere overeenkomst moeten ze toch gehad hebben. Allemaal weten ze bovendien goed raad met 'de marmeren taal' zoals Helen Waddel het Latijn noemt, dat hier helemaal niet van marmer lijkt maar van een lekker kneedbaar goedje. Alles rijmt, alles is pittig gezegd en een zekere onbekommerdheid kleeft bijna elk lied aan. Ook in Wilminks taal is dat zo, en menigmaal schiet een lezer in de lach om de vermakelijke tegenstellingen tussen plechtstatigheid en grappigheid en om de onverbloemdheid waarmee verlangende minnaars aansturen op een vrijpartij. Naar kuise, hoofse liefde hoeft men hier niet op zoek te gaan, al is de taal soms verheven genoeg. Zulke regels:

Geef dan, God en Jupiter

dat ik nader tot mijn ster

en indien het haar behaagt

gauw een vrouw maak van die maagd

zwalken alle kanten op, van de verheven ster en het retorische aanroepen van de goden, het eerbiedige 'indien het haar behaagt' tot een maar al te duidelijk voornemen om ten spoedigste het bed in te duiken. Het is één groot hinkelspel geworden, deze Nederlandse Carmina. Ze zingen en dollen en springen en huilen, maar verdriet is gauw voorbij, en hup daar gaan we weer. Het is wel duidelijk wat de bedoeling is: dat we eens volop van het leven genieten.