Het kan niet weelderig genoeg zijn; Eerherstel voor de salonschilder

Mariëtte Haveman: Het feest achter de gordijnen. Schilders van de negentiende eeuw. Uitg. De Bezige Bij, 220 blz. Prijs ƒ 49,90

Het klinkt als een sprookje. Stel je voor, je loopt in een museum met hedendaagse kunst, ontdekt ergens in een hoek een zwaar gordijn met kubistische motieven en als je dat openschuift kom je in een negentiende-eeuwse Salon terecht. Duizenden schilderijen in prachtige gouden lijsten bedekken de wanden, van boven tot onder. Je wordt verblind door een massa vrolijk gekleurde haremdames, kamelen, soldaten, lachende zeemeerminnen, arenlezende boerinnen, kinderen met bloemenkransen en een opvallende hoeveelheid vrouwen met hoge coiffures en kersemonden, gekleed in prachtige jurken.

Met dit beeld begint Mariëtte Haveman haar essaybundel Het feest achter de gordijnen, opstellen over schilders van de negentiende eeuw. In dit boek wordt een pleidooi gehouden voor negen salonkunstenaars uit de periode 1850-1900, schilders die met elkaar gemeen hebben dat ze zich te buiten gingen aan een weelderige, glossy schilderstijl. Aan de orde komen onder anderen Jean-Léon Gérôme, James Tissot, Laurens Alma Tadema, Arnold Böcklin, Hans Makart en William-Adolphe Bougereau. Ze waren in hun tijd over het algemeen zeer succesvol, verdienden goed en hadden een breed publiek. Dit alles vooral omdat ze de nadruk legden op het mooie, verleidelijke en sentimentele in hun onderwerpen.

'Goed beschouwd was er weinig wat een negentiende-eeuwse schilder niet mocht schilderen', schrijft Haveman, 'Er was geen enkele rem op onderwerpen met een sentimentele of dramatische portee, versiering kon niet weelderig en krullerig genoeg zijn en ook op het erotisch vlak was er verbazend weinig strikt verboden in het tijdperk van de hooggesloten keurslijfjes en vadermoorders'. Maar inmiddels zijn ze allemaal vergeten en verguisd, zegt Haveman, sommigen zelfs al tijdens hun leven. De modernistische kunstgeschiedenis heeft hen verpletterd, zo luidt haar belangrijkste stelling. Het is met deze schilders, om maar dicht bij huis te blijven, ongeveer als bijna een eeuw later met Kees Verweij, van wie decennia lang gezegd werd dat hij gefnuikt werd door het overheersende Cobrageweld in zijn tijd. Haveman pleit ervoor dat we de vergeten salonschilders met nieuwe ogen bekijken, bij wijze van spreken als tijdgenoten. Fris en niet vooringenomen.

Hoewel de auteur zich in haar voorwoord duidelijk op het standpunt stelt dat ze geen wetenschapper wil zijn en dat dit boek niet geschreven is vanuit een kunsthistorisch kader, valt ze toch vooral de 'officiële' kunstgeschiedenis aan. Het zijn in haar ogen de kunsthistorici die er voor gezorgd hebben dat de impressionisten andere goede kunst uit diezelfde tijd hebben weggedrukt. Zo krijgen bijvoorbeeld John Rewald, met zijn standaardwerk over de impressionisten, en de modernist Clement Greenberg ervan langs. Daarmee stelt Haveman zich wel degelijk op als een kunsthistoricus want ze behandelt een kunsthistorisch probleem, namelijk dat van de vooruitgang en vernieuwing tegenover het traditionalisme.

De schilders die Haveman bespreekt zijn helemaal niet vergeten. Niet door het publiek, want ze behoren allen tot de burgerlijke klassieken, zoals ook blijkt uit de hoge prijzen die deze meesters nog altijd maken in de internationale veilinghuizen. En evenmin door de kunsthistorici en de kunstmachthebbers (die Haveman eigenlijk bedoelt). In het Musée d'Orsay in Parijs word je er op de eerste verdiepingen door overspoeld - het is zelfs zo, dat je veel moeite moet doen om de zalen met impressionisten te vinden. Ook in de literatuur valt de verwaarlozing van de salonkunst wel mee. Zo wees Gabriël Weisberg in een fikse, inmiddels meermalen herdrukte uitgave met de veelzeggende titel Beyond Impressionism (1992), op de samenhang van de kunst met naturalistische tendensen in Europa. De kunst met een boodschap, waartoe hij vrijwel alles rekende wat niet onder het impressionisme valt. En in het standaardwerk Art of the Nineteenth Century (1983) van Robert Rosenblum en Horst W. Janson wordt even serieus ingegaan op de beweegredenen van een figuur als Gérôme als op die van Manet.

Rosenblum, die geen waarde-oordelen geeft, beschrijft hoe Manet en Gérôme beiden de modernistische eis van 'eigentijdsheid' en directheid in hun schilderijen verwerkten. Gérôme betrapte zijn figuren uit het verleden net zo individueel als Manet dat deed vanaf de jaren zestig. Maar Gérôme bleef zijn historieschilderkunst trouw en Manet koos voor een eigentijdse richting. De historieschilderkunst bleek, in de kunstgeschiedenis, een dood spoor. Maar daarom is Gérôme nog wel een knap schilder. En het is aardig dat Mariëtte Haveman daar op wijst en nog aardiger dat ze dat op zo'n mooie en meeslepende manier doet. Dat geldt niet alleen voor Gérôme. Wie even doorleest in dit boek ziet door haar vriendelijke en humorvolle 'bemiddeling' de afstand tussen zichzelf en de bewuste 'mooi schilderende' salonschilders steeds kleiner worden.

Haveman heeft zeker gelijk dat het - voor wie er van houdt - toch om een 'feest' gaat - het feest achter de schermen van de elkaar opvolgende vernieuwingen in de beeldende kunst. En waarom zouden de sentimentele, zinnenprikkelende, decoratieve, historiserende elementen van de beste salonkunst ons nu niet meer mogen ontroeren of aanspreken?