Gezellige Hollandse swing; Nederlandse jazz in de Tweede Wereldoorlog

Pianist Ernst van 't Hoff formeerde in 1940 een jazzorkest voor engagementen in het Derde Rijk. Opnamen daarvan, die nu op cd zijn verschenen, vallen op door hun Amerikaansheid. Ook toen de nazi-richtlijnen strenger werden, bleven verboden 'negersche' invloeden te horen.

Het A.V.R.O. Dansorkest 1938-'40 (NJA-9502); Ernst van 't Hoff Orkest (NJA-9401); Dick Willebrandt en zijn Orkest: 't Komt wel weer in orde (Panachord H2012); 20 Radio-opnamen uit 1943 (Grannyphone D 401); Combo's in Nederland, deel 1 (1946-'51) (NJA-9501). Nederlands Jazz Archief, Oude Schans 73-77, 1011 KW Amsterdam.

Hoe zou het Willem Breuker Kollektief zich gedragen in tijden van oorlog? Het is een theoretische maar prikkelende vraag naar aanleiding van enkele uitgaven van het Nederlands Jazz Archief. Op de eerste horen we het A.V.R.O. Dansorkest uit de jaren 1938-'40 onder leiding van Klaas van Beeck. Het betreft 26 op glasplaat vastgelegde stukken van radio-uitzendingen, prachtig opgeknapt door geluidsrestaurateur Harry Coster. De invloed van de Tweede Wereldoorlog blijkt vooral uit het repertoire. Dat was aanvankelijk geënt op dat van de populaire Engelse dansorkesten. Na 3 september 1939 werd plots de muziek uit het toen nog neutrale Amerika het voorbeeld voor Van Beeck. Dat zijn orkest hierdoor een stuk 'hotter' gaat klinken blijkt bijvoorbeeld uit Rock-A-Bye Basie. Het eind van dit stuk van 'The Count' verraadt de invloed van een andere band: die van Glenn Miller. Diens beroemde arrangement van in In the Mood is ook te vinden op deze cd.

Dat er na de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 ineens violen opduiken in het orkest en er zelfs in het Nederlands gezongen wordt - Als je een Ster ziet Vallen - zal wel toeval zijn want de Duitsers hadden op dit gebied nog niets verordonneerd, die prefereerden voorlopig de lijmstok nog. Zo kreeg pianist Ernst van 't Hoff tegen het eind van 1940 via de Nederlandse vertegenwoordiger van de Duitse Reichsmusikkammer, impresario Frans Mikkenie, het verzoek een groot orkest te formeren voor een serie engagementen in het Derde Rijk. 'Weigeren was uitgesloten', zegt het inlegvel bij de cd, 'want Ernst en zijn musici werden eenvoudig 'dienstverpflichtet' verklaard'.

Was dat werkelijk zo? En zo ja: wat zou er gebeurd zijn als Van 't Hoff een smoes had bedacht om aan deze 'eervolle opdracht' te ontkomen? Men kan er alleen naar gissen want Van 't Hoff timmerde gezwind een orkest in elkaar dat in december 1940 debuteerde in de Haagse nachtclub Savoy. Met als gevolg dat hij in februari 1941 met een goed ingespeeld gezelschap naar Duitsland vertrok voor optredens in diverse steden en opnamen voor Deutsche Grammophon/Polydor.

Het opvallendste aan de eerste Duitse opnamen is hun Amerikaansheid. Dat de swing nogal 'soft' is, heeft niets te maken met censuur maar uitsluitend met de smaak van het Duitse publiek; ook daar was Glenn Miller populairder dan Count Basie. Tijdens een engagement in Scheveningen in juli 1941 is de sfeer nog even 'swingfreundlich'. Er wordt zelfs nog volop in het Engels gezongen door Jan de Vries, een crooner in de stijl van Bing Crosby.

Gezuiverd

Pas in 1942, na de val van Pearl Harbor, werd het repertoire 'gezuiverd', zo blijkt uit titels als Dansstemming en Tanz im Carlton. Dat deze ingrepen vooralsnog kosmetisch waren is te horen in het nummer Ciribiribin, een smartlap van Italiaanse huize, maar gespeeld in een bekend Amerikaans arrangement. In 1943, als Van 't Hoff een paar keer wordt bekeurd wegens het spelen van 'entartete Musik', raakt de lol er voor hem in Duitsland af. Hij speelt nog een tijdje voor de gelijkgeschakelde Nederlandsche Omroep maar neemt daarna de wijk naar Brussel waar hij in 1944 nog een aantal opnamen maakt. Deze gaat het NJA komend najaar uitbrengen op cd.

Tot het zover is, moeten we het wat de laatste oorlogsfase betreft doen met twee platen met het orkest van Dick Willebrandts die al eerder werden uitgebracht. Op 't Komt wel weer in Orde, nog op lp, horen we het orkest in officiële opnamen voor het Nederlandse platenlabel Decca. Wat de teksten betreft worden keurig de nazi-richtlijnen gevolgd: er is geen woordje Engels te horen. In de muziek zijn echter 'negersche' en dus wel degelijk verboden invloeden te horen, met name de boogie woogie in Bokkenwagen en in Ratten op de Trap, een compositie van Boy Edgar.

Op de cd Dick Willebrandts en zijn Radio-Orkest staan twintig radio-opnamen gemaakt in het najaar van 1943 - een vreemde zaak omdat al op 13 mei van dat jaar het inleveren van radio-toestellen was gelast. Nog vreemder is dat er hier uitsluitend in het Engels gezongen wordt. Van Jaap Valkhoffs Diep in mijn Hart, gezongen door Nelly Verschuur, zijn daardoor twee versies beschikbaar. De verklaring van dit alles is dat de radio-versies niet bestemd waren voor Nederlandse oren maar dienden om de op Engeland gerichte propaganda-uitzendingen van de de Deutsche Europa Sender (D.E.S.) muzikaal op te luisteren. De opnamen werden in de voormalige KRO-studio vastgelegd op glasplaten, per koerier naar Luxemburg gebracht en vandaar naar Engeland gestraald. Na 'Dolle Dinsdag', 5 september 1944, stortte het Duitse propaganda-apparaat in elkaar en werden de radio-orkesten opgeheven, ook dat van Willebrandts. Omdat hij zijn Deutschfreundlichkeit nooit overdreven had - hij had bijvoorbeeld niet in Duitsland opgetreden - werd hij na de oorlog slechts licht bestraft. Hij mocht een half jaar geen radio-orkest leiden en dat was dat.

Hoe de Nederlandse jazzmusicus na de oorlog volhardde in zijn overlevings-strategie is te horen op de verzamel-cd Liefde in Rhythme, Combo's in Nederland deel 1 (1946-51). Zoals men jarenlang de Duitsers te vriend had gehouden, zo dacht men ook het Nederlandse publiek te kunnen vermaken met softswing 'in een gezellig jasje'. Dat een halve eeuw later veel hiervan nogal achterhaald en sullig klinkt, is slechts gedeeltelijk aan onze oren te wijten, de Nederlandse musici waren eenvoudig jaren achter. De vier beste stukken op deze cd zijn de vier door een Amerikaans sextet onder leiding van saxofonist Don Byas. De bezoekers van het Rotterdams Parkzicht hadden dit orkestje het etablissement uitgekeken omdat het verdomd had de gevraagde tango's en walsen te spelen. De Hollandsche Decca Distributie wilde er niettemin wel een opname aan wagen, mits men beloofde niet 'te wild' te spelen. Het resultaat was dat de Nederlandse luisteraar destijds wel een idee kreeg van het Amerikaanse niveau maar niet van de kleine muzikale revolutie die onder de naam 'bebop' had plaatsgevonden in New York City. Pas eind 1949 werd de eerste Nederlandse bebopplaat opgenomen; drie minuten Cheers door het Atlantic Quintet met altsaxofonist Arie Verhoef in de rol van Charlie Parker.

Representatiever voor die tijd zijn de opnamen van de Decca Swingcombo. De bezetting met pianist Dolf van der Linden (later leider Metropole Orkest), saxofonist Beb Rowold (later leider Skymasters) en trombonist Jos Cleber (later leider van andere radio-formaties) is tekenend voor de positie die de Nederlandse jazzmusicus tot in de jaren zestig zou innemen. Voor echte jazz was nauwelijks een markt, dus verdeelde hij zijn tijd tussen baantjes in degelijke radio-orkesten en optredens met modieuze nachtclub-combo's. In de schaduw van de hoofdact - een zangeres, een striptease-danseres of zelfs een goochelaar - bedacht hij zijn glorieuze bijdragen: pittige solo's van misschien wel één hele minuut, hoe Amerikaanser hoe beter. Pas toen de populaire radio-orkesten - gevangenis en vangnet tegelijk - in ontbinding raakten, net als het nachtclubcircuit, werd jazzmusicus iets van een roeping voor musici met doodsverachting. Neem bijvoorbeeld Willem Breuker; aan diens muziek kan je toch horen dat hij de oorlog niet heeft meegemaakt.