Europa zit het kapitalisme te veel in de weg

Qua werkgelegenheid doen de Verenigde Staten het veel beter dan de landen in West-Europa. De reden is simpel, betoogt Robert J. Samuelson. De Amerikaans economische cultuur bevordert groei; die van Europa niet.

Henry Stimson, de Amerikaanse minister van Oorlog tijdens de Tweede Wereldoorlog, merkte eens op dat een kapitalistisch land dat ten strijde trekt “het bedrijfsleven er maar beter aan kan laten verdienen, omdat het bedrijfsleven anders niet functioneert”. Amerika volgde dat advies op en won de oorlog.

De vredestijdversie van Stimsons opvatting gaat nog steeds op: het moderne kapitalisme functioneert niet als de markten niet een grote mate van vrijheid krijgen. Amerika houdt zich aan deze stelling en is daardoor sterk in het scheppen van banen. Europa doet dit niet en zijn banenmachine loopt slecht. Het is een raadsel dat zo veel economen dit niet begrijpen.

Het geweldige verschil tussen de Verenigde Staten en Europa in het creëren van banen is natuurlijk bekend. Van 1979 tot 1995 creëerde Europa minder dan één baan op twee nieuwkomers op de arbeidsmarkt: 10,3 miljoen banen voor 21,5 miljoen nieuwe werknemers. De werkloosheid schoot omhoog van 5,7 procent naar 11 procent. Ondertussen creëerden de Verenigde Staten 26 miljoen nieuwe banen, waarin 95 procent van de nieuwe werknemers werden opgenomen. Het werkloosheidspercentage is, hoewel het met de conjunctuur fluctueert, niet gestegen. Het was 5,8 procent in 1979 en 5,6 procent in 1995.

Wat nieuw (en interessant) is, is de verwarring die veel economen over dit fenoneem etaleren. Het is begrijpelijk dat het tot veel onderzoek heeft geleid. Het is minder begrijpelijk dat veel studies er geen verklaring voor kunnen geven. Factoren die eens golden als voordelen van het Amerikaanse systeem (flexibele lonen, meer concurrentie, minder royale sociale voorzieningen) worden nu, bij nader inzien, als niet relevant beschouwd. Jeetje, dit onderzoek valt nauwelijks serieus te nemen, omdat het op voorhand de hoofdzaak buiten beschouwing lijkt te laten. En die essentie luidt: Amerika's economische cultuur bevordert groei; die van Europa niet.

Voor het creëren van banen zijn drie dingen nodig. In de eerste plaats moet de economie zó snel groeien, dat bedrijven meer werknemers nodig hebben. In de tweede plaats moet het in dienst nemen van mensen winstgevend zijn - als de arbeidskosten te hoog zijn, nemen bedrijven geen mensen aan, ook al is de vraag groot. En in de derde plaats moeten mensen willen werken. Op alle drie punten doet de Amerikaanse economie het beter dan de Europese: - Economische groei: tussen 1979 en 1995 bedroeg de groei van de Amerikaanse economie jaarlijks gemiddeld 2,4 procent; de groei van de economie van de landen van de Europese Unie bedroeg jaarlijks slechts 2,1 procent. - Arbeidskosten: stijgen in Europa sneller dan in Amerika, ondanks grotere werkloosheid. Tussen 1983 en 1993 schoten de kosten per werknemer (loon plus emolumenten) in de EU jaarlijks met 6,3 procent omhoog; de vergelijkbare toename in de VS was 4,2 procent. - Arbeidsprestatie: Amerikanen werken harder, omdat het alternatief - onderhouden worden door de overheid - niet aantrekkelijk is. Interessant is dat de uitkering bij het begin van de werkloosheid in Amerika en Europa gelijk is. Deze bedraagt ongeveer vijftig tot zeventig procent van het gemiddelde loon van de werknemer. Maar naarmate de werkloosheid langer duurt worden de uitkeringen in de VS geleidelijk lager, terwijl de Europese landen steun blijven geven.

Dit alles betekent niet dat de Europese economie dood is. Veel Europese bedrijven creëren nog steeds nieuwe banen met superieure produkten. Maar per saldo belemmert excessieve overheidsbemoeienis - belastingen, wetgeving, markttoezicht - algemene groei. De markt zorgt niet voor evenwicht tussen werknemers en banen.

Elke andere conclusie (zoals in sommige studies) tart het gezonde verstand. Een publicatie van het Amerikaanse nationale bureau voor economisch onderzoek stelt, dat Europa's royale sociale politiek geen grote werkloosheid genereert. Het boek neemt diverse sociale zorgsystemen onder de loep en vindt weinig 'wisselwerking' tussen 'sociale bescherming en economische flexibliteit'. Een nieuwe studie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling in Parijs zet ook vraagtekens bij de gevolgen van bepaalde onderdelen van de Europese aanpak.

Het probleem met deze studies is dat ze te veel uit te weinig proberen te verklaren. Laten we een parallel uit de sport nemen om te begrijpen waarom. Stel dat basketbalteam A in rebounds iets beter is dan team B; team A is ook iets beter in intercepties en drie-punters. Afzonderlijk lijkt geen van deze dingen beslissend; bij elkaar verklaren zij waarom team A kampioenschappen wint. Hetzelfde geldt voor Europa en Amerika. Op zichzelf staand is geen afzonderlijk Amerikaans voordeel (of Europees nadeel) van belang. Wat telt is het gewicht van de combinatie.

Alle nadelen van Europa versterken elkaar. Hogere lonen (die niet volledig gecompenseerd worden door grotere produktiviteit) vormen een belemmering bij het in dienst nemen van mensen. Hoge belastingen op de loonsom - die nodig zijn voor de royale sociale uitkeringen - hebben hetzelfde effect.

De Europese groei heeft ook te lijden onder een systeem van vaste wisselkoersen dat de meeste landen dwingt de Duitse rentekoers te volgen. Men vreest dat de inflatie zonder die discipline zou toenemen. Deze vrees komt weer voort uit andere aspecten van het Europese systeem zoals sterkere vakbonden, meer invloed van de politiek op het loonniveau en minder concurrentie op de markten. De Amerikaanse voordelen werken ook versterkend. Het commerciële klimaat is gunstiger dan in Europa. Amerikaanse bedrijven zijn stelselmatig winstgevender. In 1995 maakten Amerikaanse bedrijven 18,3 procent rendement op geïnvesteerd vermogen vergeleken met 13,8 procent van Duitse bedrijven. In de VS is meer durfkapitaal voor beginnende bedrijven. Voor belangrijke industrieën zoals telecommunicatie is regulering door de overheid afgeschaft. Nieuwe produkten en winstmogelijkheden bevorderen expansie. Flexibele lonen bevorderen het in dienst nemen van mensen.

Het gaat om het systeem. Amerika hangt nog steeds de marktcultuur aan: zijn obsessie met groei, streven naar rijkdom (en tolerantie van ongelijkheid) en acceptatie van verandering. Europa is daar minder enthousiast over en is meer geneigd de marktcultuur door overheidsinmenging een nieuwe vorm te geven.

De les die hieruit moet worden getrokken is niet dat overheidsinmenging slecht is. Dat is niet het geval. De overheid doet veel goeds, van milieubeheer tot werkloosheidsvoorzieningen. Maar te veel of misplaatste overheidsinmenging kan economische groei ondermijnen.

Wat Europa ons leert is dat de corrosie een langzaam, cumulatief proces is. Europa's pogingen dit tegen te gaan (door versoepelen van de regelgeving en beperken van de sociale uitkeringen) zullen langzaam verlopen, juist omdat er niet een enkele voorziening is die al het kwaad aanricht. Amerika moet oppassen. Wil de overheid goed functioneren, dan moet zij zich terughoudend opstellen. Wil het kapitalisme goed functioneren, dan moet het zijn specifieke eigenschappen behouden - inclusief de vrijheid om te falen en de vrijheid om rijk te worden.

    • The Washington Post
    • Robert J. Samuelson