Europa miskent Aziatische mores

Hypocriet, zo heeft de Maleisische delegatie tijdens een internationale conferentie in Jakarta het voorstel van de Europese Unie (EU) gekarakteriseerd om gezamenlijk het militaire regime in Birma aan te pakken. De EU, slechts gesteund door Canada, had bij monde van haar Ierse voorzitter de oprichting gesuggereerd van een contactgroep van Aziatische en Westerse landen.

Onder auspiciën van de Verenigde Naties moest de groep Birma stimuleren tot een fasegewijze ontwikkeling naar democratie en handhaving van de rechten van de mens. ASEAN, een bundeling van Zuidoostaziatische staten, had juist afgelopen weekeinde Birma onvoorwaardelijk de status van waarnemer toegekend.

De eerste poging om in Azië een piketpaaltje te plaatsen waaraan het Gemeenschappelijke Buitenlandse en Veiligheids Beleid van de EU had moeten worden vastgeknoopt, is dus mislukt. De Amerikanen, zelf overigens luidruchtige critici van het Birmese bewind, hielden zich op de vlakte, de Australiërs, evenmin lankmoedig ten opzichte van de generaals, verweten de indieners hun voorstel zonder enige voorbereiding op de onderhandelingstafel te hebben gedeponeerd. De EU was zowel intergouvernementeel (in de persoon van de Ierse minister van Buitenlandse Zaken) als communautair (in de persoon van de portefeuillehoudende commissaris) aanwezig, maar dat heeft het fiasco niet kunnen voorkomen. Behalve op het Birmese regime had de EU het ook voorzien op de sociale omstandigheden in de aangetreden Aziatische landen. Nu is het bij voorbaat riskant wanneer een Europees gezelschap tegenover Aziatische gesprekspartners begint te moraliseren. Het koloniale verleden hangt als een zwaard van Damocles boven de Europese hoofden. Maar wanneer Europeanen op verwijtende toon spreken over zaken als kinderarbeid en uitbuiting, gaat het hun feitelijk om de lage arbeidskosten. Als investeerders en als consumenten weten zij die weliswaar te waarderen, maar als concurrerende producenten hebben zij er grote moeite mee.

Azië kijkt niet langer op tegen Europa. Het ziet zichzelf als het dynamische centrum van de economische groei in de wereld en Europa als een regio die zijn beste tijd heeft gehad. Niet dat het geen zaken wil doen, maar dan liefst met geselecteerde Europese landen en ondernemingen en op Aziatische voorwaarden. Het ontzag voor het project van Europa's interne markt, in de aanloop gedurende de jaren tachtig nog groot, is verdwenen. Het is al heel wat dat de EU als verdragsorganisatie tot een door Aziaten gedomineerde conferentie is toegelaten.

Een mooie kans is zo gemist om Europa op het Aziatische toneel terug te brengen. Voor de poging daartoe was veel te zeggen. De bilaterale relaties tussen Europese en Aziatische landen zijn over het algemeen niet slecht - het ene land doet het beter dan het andere - en Europese ondernemingen zijn niet zonder succes actief op Aziatische markten, maar een gemeenschappelijk optreden kan een toegevoegde waarde hebben, mits aan een aantal criteria wordt voldaan.

Het eerste criterium is dat gezamenlijk optreden niet in bilaterale contacten wordt ondergraven, ofwel dat Europa in alle opzichten met één stem spreekt. Nu al waren er nuances te bespeuren tussen het Ierse voorzitterschap dat namens de regeringen optrad, en de Commissie die de communauteit vertegenwoordigde. Ook al liggen dergelijke nuances in de opzet van de Unie besloten, in contacten met de buitenwereld behoren ze niet te worden gedemonstreerd.

Een tweede criterium zou moeten zijn dat zelfoverschatting dient te worden vermeden. Een infant, als de EU op het wereldtoneel nog altijd is, doet er wijs aan een zekere bescheidenheid in acht te nemen. Iedere gedachte aan voorbije grootheid van de samenstellende delen dient te worden uitgebannen, opdat de gezamenlijkheid niet valt in de zelfgegraven kuil van de hoogmoed. Wie met Aziaten zaken doet, zal zich allereerst rekenschap moeten geven van wat het moderne Azië is: een verzameling zelfverzekerde landen die, hoe hoog de obstakels voor hun ontwikkeling ook mogen zijn, zich niet meer de les laten lezen.

Als derde criterium komt in overweging dat Europa zijn prioriteiten in Azië helder op rij moet hebben. Een land als de Verenigde Staten kan zich misschien nog een zig-zagkoers veroorloven tussen een moralistisch getinte politiek en een op zakelijk eigenbelang gerichte aanpak. Europa maakt een grote fout als het meent eveneens een vergelijkbaar opportunistische koers te kunnen aanhouden. Niet alleen laat Amerika zich in Azië weinig tot niets gelegen liggen aan Europa, zoals het verloop van de bijeenkomst in Jakarta aantoonde, de direct aangesprokenen reageren op zijn best met schouderophalen en op zijn slechtst met het tonen van een overgeleverde afkeer.

Wat wil Europa in Azië? Allereerst toegang tot de aantrekkelijke markten in dat deel van de wereld. Niet iedereen hoeft zo ver te gaan als kanselier Kohl met zijn knieval vorig jaar voor de Chinese militairen, maar wie met enig resultaat handel wil drijven in Azië moet veel geduld opbrengen ten aanzien van de daar heersende mores.

Regeringen en internationale organen hebben vanzelfsprekend hun eigen wensen, wensen die doorgaans sterk onder invloed staan van de publieke opinie thuis. Maar wie ernst wil maken met de bevordering van het eigen marktaandeel zal de rest van zijn agenda daarop moeten afstemmen. Nederland heeft in zijn relaties met Indonesië al het nodige leergeld betaald en het zou de lessen die het heeft geleerd niet aan zijn Europese partners moeten onthouden. Het krijgt een unieke kans wanneer het voor de eerste helft van 1997 het voorzitterschap van de Ieren overneemt.

Als het waar is dat economische ontwikkeling op den duur leidt tot mondigheid van de massa's en tot sociale en politieke verbeteringen - en daarvan zijn voorbeelden - lijkt het zinnig het tamboereren op specifiek eigen inzichten achterwege te laten. Zoals een Chinees gezegde wil: waarom de vrucht uit de boom halen als zij, eenmaal rijp, vanzelf naar beneden valt. De tijden van missie en zending oude stijl zijn voorbij. Kerken en genootschappen aanvaarden de lokale omstandigheden nu als gegeven. Waarom zouden regeringen en internationale organen anders handelen? In Jakarta is de verkeerde toon gezet. De uitkomst van het overleg bewijst dat.

    • J.H. Sampiemon