Een zachte leugenaar; Welwillende biografie van Orson Welles

David Thomson: Rosebud. The story of Orson Welles. Uitg. Alfred A. Knopf. 461 blz. Prijs ƒ 63,-

In de jaren zeventig werden de lunchgasten van een restaurant in Los Angeles regelmatig getrakteerd op de aanblik van Orson Welles. De zestigjarige filmer zat daar, in gezelschap van zijn hondje Kiki, vrijwel dagelijks uit zijn stoel te puilen. 'Zo, op de een of andere manier, was een gedistingeerde en verfijnde wereldberoemdheid vervallen tot het bewonen van een huis in Las Vegas en het gezelschap van een poedel.'

De beschrijving komt uit het laatste hoofdstuk van Rosebud, het meest recente van de vele boeken die over Welles zijn geschreven. Het is ook het kortste hoofdstuk, want, zegt de schrijver David Thomson, het zou redelijk noch aardig zijn - 'tegenover Welles of onszelf' - om deze uitgerangeerde dikzak even uitgebreid en diepgaand te volgen als de fascinerende acteur, schrijver, radioster en regisseur van de jaren daarvoor. 'Dat zou te akelig zijn, te meedogenloos.'

Het mededogen waarvan Thomson spreekt, is de diepste emotie in zijn Rosebud. Er klinkt superieure empathie door in een zin als: 'De vernedering Orson Welles te zijn en te moeten horen 'Wat is er toch van hem geworden?' ' Ik weet zeker dat de elf jaar geleden overleden Welles niet blij zou zijn geweest met zulke zinnen. Hij was per slot van rekening de man die eens tegen een interviewer zei: “Ik wil absoluut niet dat een beschrijving van mij nauwkeurig is. Ik wil dat-ie me streelt.” En voor de zekerheid vertelde hij er meteen een van zijn meeslepende, zorgvuldig gefabriceerde anekdotes achteraan, waarin hijzelf de glansrol vervulde. Zo iemand vraagt niet om mededogen. Zo iemand vraagt om een voetstuk.

Welles heeft zijn voetstuk gehad en hij is eraf getuimeld ook, zoals dat hoort in een drama. Reeds beroemd als toneelspeler en -regisseur werd hij, 23 jaar oud, berucht als de maker van het radio-hoorspel van The War of the Worlds. Deze in de trant van het radionieuws gebrachte bewerking van het boek van H.G. Wells deed luisteraars werkelijk geloven dat de aarde werd veroverd door Marsmannen.

Datzelfde jaar kreeg hij een uitzonderlijk contract van filmstudio RTI: hij mocht naar eigen goeddunken twee films schrijven, produceren, regisseren en spelen. Welles maakte na veel vijven en zessen Citizen Kane. De film werd dadelijk erkend als meesterwerk, maar flopte aan de kassa, en zijn tweede film mocht hij dus niet meer naar eigen goeddunken afmaken.

Wat volgt is een gestage neergang. Films die nooit afkomen, films die niet meer dan half goed worden (de welwillende Thomson ziet er af en toe nog het goud doorheen glinsteren, zoals in Chimes at midnight), films die helemaal slecht zijn (Confidential Report serveert Thomson ijskoud uit). Schitterende gastrollen in andermans films (The Third Man) maken plaats voor verschrikkelijke karikaturen (als Tartaren-khan bijvoorbeeld) en ten slotte, als hij meer dan 150 kilo weegt, voor voornamelijk zittende rollen, zoals in de eigenaardige griezelfilm Malpertuis van de Belg Harry Kümel. Totdat hij in de ultieme zittende rol belandt, die van vaste talkshowgast, genietend van de ongegeneerde vleierij van de presentatoren.

Het leven van Orson Welles is al door veel biografen afgekloven. De Britse Amerikaan Thomson, die eerder boeken schreef over David O. Selznick en Warren Beatty, heeft aan dat levensverhaal weinig nieuwe feiten toe te voegen. Dat het toch een belangrijke biografie is geworden, komt door de onwaarschijnlijke combinatie van eerbied, mededogen en vlijmscherpe kritiek.

Over de verhalen die Welles zelf vertelde en die veel biografieën hebben gekruid, is Thomson duidelijk: 'Orson Welles loog vaak.' Maar daar laat hij het niet bij, hij wikkelt de constatering in sympathie: 'Hij kon zo'n zachte en verleidelijke leugenaar zijn.'

Welles vertelde eens van een reis die hij als jong ventje met zijn vader in Europa had gemaakt. Over een feest waar hij was geweest in Tirol. Ergens halverwege de jaren twintig. Met een paar vriendjes belandde de kleine Orson op een bierfeest. 'We zaten aan een lange tafel met een boel Nazi's, die toen maar een obscuur stel zonderlingen waren, en ik kwam te zitten naast een iel en uiterst onbeduidend ventje. Hij maakte destijds geen enkele indruk op me, maar toen ik later foto's van hem zag, begreep ik dat ik had geluncht met Adolf Hitler.'

Wat moet de biograaf met zulke verhalen, zucht Thomson. En hij doet vervolgens het enige juiste: ze weergeven en laten voor wat ze waard zijn. 'Waarom ook niet? Fascisten moeten ook eten.'

Bekende netelige kwesties behandelt Thomson genuanceerd en als hij in veel gevallen Welles het voordeel van de twijfel geeft, doet hij dat overtuigend. Een van die kwesties is de vraag wie de auteur is van Citizen Kane. Herman J. Mankiewicz was de schrijver, maar in Welles' contract stond nu eenmaal dat híj de schrijver was (en het was in Hollywood niet ongewoon om onderknuppels in te huren). Dus eiste Welles alle credits op - zoals hij dat ook voor The War of the Worlds had gedaan, terwijl dat door een ander was bewerkt. Het is voor eerdere biografen aanleiding geweest om te zeggen dat Citizen Kane eigenlijk de film van Mankiewicz was.

Thomson komt tot de conclusie dat Welles veel meer recht heeft op het auteurschap dan de scenarioschrijver: 'Niets van wat Mankiewicz verder heeft gemaakt had ook maar een vleugje Kane. Alles wat Welles deed ademde die lucht.' Maar hij pleit Welles niet vrij, noemt hem een 'piraat' en verwijt hem kleinzieligheid : 'Hij leek wel een god die de eer opeiste voor elke partijbijeenkomst of commissievergadering die hij had bijgewoond'.

Een algemeen oordeel over het werk van Welles (was hij een door Hollywood vermalen genie?) moet de lezer zelf samenstellen. Thomson vermijdt het predikaat 'geniaal' zorgvuldig. Hij geeft duidelijk te kennen dat de beoordeling van Welles' artistieke kwaliteiten een kwestie van smaak is. Dat is geen dooddoener in de trant van 'sja, wat heet mooi?', maar is in het geval van Welles gerechtvaardigd. Met zijn effectbejag, met zijn splijtende stemgeluid en met zijn liefde voor show (zowel in leven als in werk) balanceert Welles voortdurend op de rand van de kitsch. Soms gaat hij eroverheen, en dan worden zijn films holle flauwekul (de bombastische Kafka-bewerking The Trial, waarvoor Thomson naar mijn smaak veel te aardig is). Soms bleef hij net op die rand staan, gesteund door de talenten met wie hij zich omringde. En dan haalde hij meer uit het celluloid dan wie ook.

    • Bas Blokker