Een triomfantelijk brullende kaaiman; Vier toneelstukken van Hugo Claus

Hugo Claus: Visite/Winteravond. Uitg. De Bezige Bij, 88 blz. Prijs ƒ 22,90.

-: De eieren van de kaaiman. Uitg. De Bezige Bij, 116 blz. Prijs ƒ 24,90.

-: De verlossing. Uitg. De Bezige Bij, 128 blz. Prijs ƒ 26,90.

Wanneer er al nieuw Nederlands toneel verschijnt, dan is dat in combinatie met de uitvoering. De lijst van personages is gekoppeld aan de lijst van acteursnamen; er staan spelfoto's bij afgedrukt. Dit alles vergezeld van de vaak dwingende visie die een regisseur of dramaturg - en meestal beiden - heeft op de tekst.

Nu zijn er ineens vier teksten van Hugo Claus verschenen, zorgvuldig door De Bezige Bij uitgegeven in drie bandjes. Van twee van de stukken, de eenakters Visite en Winteravond, heb ik de uitvoering gezien als lunchpauzevoorstelling in de Rotonde van de Amsterdamse Stadsschouwburg; de andere twee zijn niet eerder gespeeld. Hugo Claus presenteert zijn toneelwerk zonder premièredatum of spelerslijst. Hij brengt ze sec uit, alsof het in dialoogvorm uitgegeven novellen of romans zijn. Hiervoor kan maar één reden zijn: Claus koppelt zijn stukken los van de uitvoering. Bovendien zou hij nog weleens verbitterd kunnen zijn om de affaire rond Onder de torens in 1994, toen regisseur Sam Bogaerts in Claus' ogen zijn toneelstuk tot moes verhakkelde. Hij beschuldigde hem van 'hoogverraad' en 'arrogantie'.

Dat betekent dat iedere lezer de stukken in zijn eigen verbeelding, in zijn eigen innerlijke theater, van een decor, acteurs en mise-en-scène moet voorzien. Bij Claus gaat dat opvallend gemakkelijk. Hij geeft gedetailleerde beschrijvingen van de plaats van handeling, typeert zijn personages.

Zo schildert hij in De eieren van de kaaiman in een pennenstreek een hotel dat Matterhorn heet en dat uitzicht biedt op - oh ironie! - een tropisch oerwoud. We zien ze voor ons, de 'gezette vijftigers' Ronnie en Leo, die hijgend en puffend de trap beklimmen. Het lijkt het begin van een idyllische vakantiereis, gewonnen dankzij een televisiequiz van de BRT. Maar dit sprookjesachtige decor wordt gaandeweg gruwelijk aan flarden geschoten en de lezer blijft, uiteindelijk, niets bespaard.

Harold Pinter heeft ooit naam gegeven aan een wezenlijk thema van toneel: de indringer. Bij hem is er aldoor de beschutte beslotenheid van een huwelijk, een gezin, van twee vrienden - en als daarin een buitenstaander, een derde, arriveert wordt als door een bolbliksem alles verwoest wat ooit veilig en vertrouwd leek. Die indringer treedt op als katalysator. Hij of zij wroet harteloos in de andere personages en drijft hen naar de ondergang.

Op schitterende wijze neemt Claus dit thema in Visite over. In de ogenschijnlijke vrede van een Vlaamse huiskamer, een 'stoffig burgerlijke salon met solide eiken meubels', hebben zich een nerveuze man, André Daniels, en zijn huishoudster Blanche verschanst. De tv staat aan; er wordt trouwens veel tv gekeken in deze nieuwe stukken. Met de verschijning van André's jeugdvriend, kortweg aangeduid als Kleine man, raken zowel hijzelf als de huishoudster, die later zijn vrouw blijkt te zijn, stuurloos en onthecht. De Kleine man is zo klein gebleven omdat André en hij vroeger door de pastoor verboden seksuele spelletjes deden; ruggemerg aangetast, groeikracht eruit, de kleine jongen van toen werd later Kleine man. Nu komt hij wraak nemen op André; zijn geld, Blanche, alles eist hij op en aan al zijn wensen wordt voldaan. In elke zin die Kleine man uitspreekt, zindert de wraak. En André wordt steeds weerlozer.

Visite leest als een korte roman; Claus zet de dialoog zo doeltreffend om in actie, hij draait de duimschroeven van André zo tergend langzaam aan dat de lezer zich moeiteloos voyeur waant in de Vlaamse salon. Ik moest denken aan Claus' ijzersterke drama's Vrijdag uit 1969 en Thuis van 1975. Diezelfde op de spits gedreven mengeling van agressie, seksualiteit, wraak en mentale tirannie van de personages jegens elkaar.

In De verlossing is allesbehalve sprake van verlossing, of het moest die door de dood zijn. Rondom de oude, zieke en bedlegerige Magda (65) klit een familie van haar zuster, haar man, zoon en dochter samen die elkaar het leven zuur maakt. Het is ontstellend wat Claus ogenschijnlijk koud neerschrijft, wat hij de personen tegen elkaar laat zeggen. Toegegeven, mensen zijn slecht, maar Claus gooit er een schepje bovenop, concentreert, voegt al die met elkaar strijdende karakters samen in een huiskamer - en natuurlijk barst alles uit zijn voegen. De dochter is getrouwd met van een voetballer zo klein als een pygmee, een quasi-Italiaan die alles verliest, elke penalty mist. Dit krijgt ze bijvoorbeeld van haar vader te horen: “Gij en uw spaghetti-ventje. Eén keer heeft uwe Mario een oprecht schone goal gemaakt. Tegen Aalst. Direct op de wreef genomen, in een tel, zuiver langs de lat. Maar dat zal pure chance geweest zijn.”

In De eieren van de kaaiman werkt Claus de wreedheid die mensen elkaar aandoen tot in het ondraaglijke uit: aan het slot staart de lezer murw naar het woord 'Doek'. De 'gezette vijftigers' Ronnie en Leo hebben hun tropische zonnereisje geboekt naar een fictief land, ergens in Zuid-Amerika, waar twee partijen strijden om de macht. Eigenlijk is Ronnie op zoek naar zijn via Foster Parents geadopteerde dochtertje Zoë-zoë. Bij het tweetal voegt zich Nelly, een ontredderde vrouw van rond de veertig, wanhopig op zoek naar geluk. De kaaiman doet mee op de achtergrond, als een boze draak van wie de giftige adem alles doorwalmt en van wie de eieren voor niets anders dan dood en verderf zorgen.

Claus maakt van dit stuk een politiek pamflet, gericht tegen de brute willekeur waarmee groeperingen elkaar bevechten. Het verhaal over de verkrachting en dood van Zoë-zoë is bepaald niet voor gevoelige snaren geschreven. Tegelijkertijd weet je als lezer dat het allemaal gebeurt, op vele plekken van de wereld. Het virtuoze van Claus is dat hij in de verschillende personages van De eieren van de kaaiman uiteenlopende reacties geeft. Nelly kan het niet langer aanhoren en werpt zich in de vijver, waar de kaaiman een triomfantelijk gebrul laat horen. Ronnie hult zich in verdriet om het gemis van Zoë-zoë; Leo berust erin en wijdt zijn aandacht aan sterke koffie en kippeneitjes bij het ontbijt. De cynische eigenaar van hotel Matterhorn staat van geen enkele wandaad nog versteld; hij leeft ervan, hij behoort, naargelang de wind waait, tot die politieke kongsie die hem gunstig gestemd is. Een man op wie Claus heel wat ongenoegen en afkeer projecteert.

Gewelddadigheid vormt een wezenlijk onderdeel van het oeuvre van Claus. Wat deze vier nieuwe stukken zo onthutsend maakt, is dat die gewelddadigheid tussen de personen welbewust is; ze treiteren en tergen elkaar met opzet. Het is een dodelijk schaakspel met woorden. Een elkaar pijn doen en schade berokkenen in de volle wetenschap dàt het pijn doet. Met de personages gaat bijna ook de lezer te gronde, die dit alles niet per se op het toneel hoeft te zien: knipperend met de ogen is hij een getuige tegen wil en dank.

Tiende Scène

Nelly, een veertigjarige, sportief geklede vrouw komt op. Zij wil naar haar bungalow links gaan als zij plots blijft staan, en Ronnie aanstaart. Ze komt dichterbij. NELLY (tot Ronnie) Ik ken u. U bent bekend. Is het niet zo dat u een Bekende Vlaming bent? Ja hè? Hoe is je naam ook weer? Ik kom er zelf op, hoor, zo meteen, maar het kan een tijdje duren. Johnny? Billy?

RONNIE Ronnie Soetens.

NELLY (De naam zegt haar niets) Ja. Natuurlijk. - (levendig) In het programma 'Oog om oog'? Ja. Oog om Oog, met Wim Dallas! Je hebt die prijs gewonnen, de hoofdprijs. Wat is het toch miraculeus! Miljoenen mensen krioelen op aarde en uitgerekend hier, in dit afschuwelijke land, vlak voor mijn neus, zit een bekende Vlaming. Je speelde tegen dat mevrouwtje met haar uitgedroogd kopje in haar zwart jersey jurkje! O, wat was dat mevrouwtje kwaad toen zij verloor. O, o, o. (Zij zoekt in haar handtas, vindt een agenda) Hier. Hier moet je je handtekening zetten. En leesbaar. Voor mijn zoon Lucien. Hij woont in Nieuw-Zeeland en kweekt er schapen. Hij kan me niet uitstaan maar dat is normaal, niemand kan mij uitstaan. 'Mama,' zei hij voor dat hij naar Nieuw-Zeeland vertrok, met zijn paspoort in zijn hand bij de controle in Zaventem, 'Mama, ge gaat mij in dit leven niet meer zien maar ik geloof dat het voor ons tweeën het beste is.' Dat zei hij, vlak in mijn gezicht. Je moet toch durven. Mag ik een momentje bij jullie zitten?

(Zij gaat zitten)

WINCKELMAN Ik meen te weten dat de heren een belangrijke bespreking hebben.

NELLY (kijkt de drie aan, slaat dan haar benen over elkaar) Jij, Zwitserse koekoek, jij meent helemaal niks te weten. Geef me liever een Bic.

UIT: HUGO CLAUS, DE EIEREN VAN DE KAAIMAN