Een sarcofaag vol aronskelken; Het heropende Musée Jacquemart-André in Parijs

Het Parijse Musée Jacquemart-André was tot voor kort een wat obscure instelling. Nu is het museum heropend, inclusief de eerste verdieping die tot nu toe niet voor publiek toegankelijk was. Na een vijf jaar durende renovatie, blijkt er een ongekende collectie Italiaanse renaissance-kunst gehuisvest, met werken van onder anderen Uccello, Mantegna, Botticelli en Perugino. “In een klap is het Musée Jacquemart-André veranderd in een van de mooiste en weelderigste musea van Parijs.”

Musée Jacquemart-André, 158 boulevard Haussmann. Dag. 10-19u. Toegang 45 fr.

De Italiaanse renaissance-kunstenaar Paolo Uccello (1397-1475) schilderde graag dieren. In zijn fresco's beeldde hij de ark van Noach en de schepping der dieren af, hij decoreerde het huis van de Medici met dier-tableaus, schilderde jachtpartijen en strijdtaferelen vol woest steigerende paarden en na zijn dood liet hij honderden dierentekeningen na.

Natuurlijk ontkwam Uccello niet aan het schilderen van het in de Middeleeuwen geliefde thema van Sint Joris en de draak. Het was een christelijk thema - de mensenetende draak was een symbool voor het heidendom - maar tegelijk was het ook heel erotisch: achter het monster bevindt zich immers altijd de prinses die de draak op het punt staat te verorberen en die van haar tragisch lot als drakenmaal gered wordt door de vermetele Sint Joris. Uccello kon zich bij dit thema niet alleen uitleven in de weergave van het ros van Sint Joris, maar ook in het schilderen van het gevleugelde fantasie-gedrocht, de draak. Hij heeft het gevecht minstens tweemaal afgebeeld. Op het beroemde schilderij uit 1456, dat in de Londense National Gallery hangt, maakte Uccello van de draak een angstaanjagend groen gevaarte waarbij Joris op zijn paard bleek en schrieltjes afsteekt. Weliswaar heeft hij de draak met zijn speer al recht in het oog getroffen, maar het is duidelijk dat de weerstand van het dier nog niet gebroken is en dat er nog een zware strijd wacht. Op het andere schilderij, dat waarschijnlijk wat vroeger, omstreeks 1440, gemaakt is, gaf Uccello de strijd veel gestileerder en sierlijker weer. De draak is hier geen afschrikwekkend ondier, maar een bevallig schepsel waarvan de staart zich in een lief spiraaltje draait, de klauwen mooie halvemaantjes vormen en de als een waaier opengeklapte vleugel verfraaid is met grote, zwarte noppen. Wat een snoezig draakje!

Uccello was niet de enige schilder die van de draak een knuffeldier maakte, maar deze is zo bekoorlijk dat zelfs zijn opengesperde muil geen vrees inboezemt. Het is geen wonder dat het witte paard hem allerminst bloeddorstig aankijkt - eerder met mededogen - en je vraagt je af of de devoot biddende prinses er niet beter aan toe was geweest met deze aardige draak, zelfs al had hij haar verschalkt, dan met die heilige, geharnaste Joris.

Uccello schilderde deze voorstelling - met op de achtergrond, achter het knusse drakenhol, een middeleeuwse tuin en een stadsmuur - als decoratie van een houten ledikant. Het paneeltje werd in 1889 door de Florentijnse kunsthandelaar Stefano Bardini verkocht aan twee puissant rijke Franse kunstverzamelaars, Edouard André en zijn vrouw Nélie Jacquemart, die het een plek gaven op de bovenverdieping van hun paleisje aan de Parijse boulevard Haussmann. Tussen de schilderijen van andere illustere Italiaanse renaissance-kunstenaars als Andrea Mantegna, Giorgio Schiavone, Sandro Botticelli, Vittore Carpaccio en Pietro Perugino leidde het paneeltje van Uccello meer dan honderd jaar lang een verborgen bestaan.

Nadat het verzamelaars-echtpaar was overleden, werd hun huis in 1913, volgens hun wens, opengesteld als museum. Maar alleen de salons en zalen van de benedenverdieping waren voor het publiek toegankelijk, zodat de bezoekers onkundig bleven van de honderden Italiaanse kunstschatten die zich boven hun hoofd bevonden. Vijf jaar geleden werd het Musée Jacquemart-André voor een renovatie gesloten. Het museum is nu opnieuw geopend, inclusief de nooit eerder getoonde privé-vertrekken van het echtpaar en hun geheime 'Italiaanse museum' op de eerste verdieping, waar tijdens hun leven alleen intimi een blik in mochten werpen. Van een wat obscure instelling is het Musée Jacquemart-André nu in één klap veranderd in een van de mooiste en weelderigste musea van Parijs. Met zijn schilderijen van Rembrandt, Frans Hals, Jacob van Ruysdael, Van Dyck, Rubens, Chardin, Fragonard en David, zijn Italiaanse collectie, de Griekse en Romeinse beelden, Egyptische amuletten, honderden snuifdozen en andere kleinodiën, antieke meubels en chinoiserieën, is het een petit Louvre, weggestopt tussen de huizen van het achtste arrondissement.

Droomogen

Edouard André (1833-1894) kwam uit een protestantse bankiersfamilie in Nice. Hij was voorbestemd maarschalk te worden in het keizerlijk leger van Napoléon III en werd in 1852 naar de Militaire Academie gestuurd. Verder dan tweede luitenant zou hij het niet brengen, zijn zwakke gezondheid belemmerde een militaire carrière en in 1859 zou hij het leger alweer verlaten. Twee jaar eerder, in 1857, had hij zich door Franz Xaver Winterhalter laten portretteren in het uniform van de keizerlijke garde. De statigheid van het met gouden tressen, sjerpen en medailles behangen uniform detoneert op dit portret op een aandoenlijke manier met het gevoelige hoofd van de jonge luitenant, zijn dromerige blik, de wat weke trekken. Ook op de twee andere portretten die van hem gemaakt zijn, vallen meteen de in de verte starende droomogen op. Meer het hoofd van een kunstminnaar dan van een militair.

André deed nog wel zijn best iets te betekenen in de politiek, maar toen hij zich in de jaren zeventig, na de val van het Franse keizerrijk, vergeefs kandidaat had gesteld voor het parlement, gaf hij zijn ambities op en besloot hij zich verder te wijden aan zijn grote liefde, de beeldende en toegepaste kunst. In de jaren zestig was hij al begonnen te verzamelen, waarbij hij blijk gaf van een veelzijdige smaak. Zo kocht hij eigentijdse doeken van de Barbizon-schilders en van Delacroix en Ingres, Hollandse portretten en landschappen uit de zeventiende eeuw, stadsgezichten van Canaletto en vooral veel achttiende-eeuwse Franse rococo-kunst, die in zijn dagen bepaald niet populair was.

Om zijn kunst op een passende wijze te kunnen tonen, gaf hij in 1867 aan de Parijse architect Henri Parent opdracht een villa te bouwen vlakbij het Parc Monceau, een buurt die toen in trek was bij de kringen rondom Napoléon III. Het 'Hôtel André' met zijn binnentuin waardoor de koetsen af en aan konden rijden tot aan de monumentale ingang, zijn reusachtige salons, wintertuin, muziekzaal en balustrades, is gebouwd in een mengelmoes van historische stijlen. Het uitbundig gedecoreerde interieur is grotendeels geïnspireerd door dat van de Tuilerieën, het paleis dat in 1871, vier jaar voor de voltooiing van l'Hôtel André, door de Parijse Communards werd platgebrand. In zijn nieuwe paleisje kon Edouard André duizend gasten tegelijk ontvangen en toen hij in 1876 een openingsreceptie gaf, stroomde de Parijse haute volée toe om zijn woning te bewonderen.

Edouard André verzamelde niet alleen kunst, hij speelde ook een rol in het culturele leven van Parijs. Hij organiseerde exposities, was voorzitter van de vereniging voor toegepaste kunsten en eigenaar van het eerbiedwaardige tijdschrift Gazette des Beaux Arts (dat nog altijd bestaat). In de Gazette werd toen het ideaal gepredikt om alle vormen van beeldende kunst in de musea als één geheel te tonen, zonder hiërarchie en zonder veronachtzaming van de toegepaste kunst. Dat typische barokideaal, dat vroeger alleen in kerken en paleizen gestalte kreeg, probeerde André ook in zijn eigen villa uit te dragen. Zo moest de architect bij het bepalen van de afmetingen van sommige wanden rekening houden met de gobelins waarmee André ze wilde bedekken. Ook liet hij hele vertrekken op achttiende-eeuwse wijze versieren met verguld houtsnijwerk op roomkleurige panelen. Meubels, keramiek, kamerschermen of klokken - geen voorwerp kwam zijn huis binnen dat niet op een kunstzinnige manier gedecoreerd was. Het waren altijd antieke en meestal achttiende-eeuwse voorwerpen, de vormgeving uit de negentiende eeuw kon hem duidelijk niet bekoren.

Bardini

Edouard André bleef tot zijn 48ste vrijgezel. In 1881 trouwde hij op aandrang van zijn familie met de acht jaar jongere Nélie Jacquemart (1841-1912), die hij had leren kennen toen ze zijn portret schilderde. Met Nélie's intree op de boulevard Haussmann veranderde het verzamelbeleid. Ze zag niets in de eigentijdse schilderkunst en dat deel van de collectie werd dan ook al snel van de hand gedaan. Nélie's afkeer van die kunst is moeilijk te begrijpen omdat ze immers zelf een schilderes was, die met haar portretten van Franse aristocraten op de Parijse Salon verschillende prijzen had gewonnen. Volgens een vriendin was ze tot haar veertigste ongehuwd gebleven omdat ze zich te veel 'artiste' voelde: ze leefde voor haar kunst. Op de bovenverdieping van zijn villa liet André een gigantisch atelier voor haar inrichten, compleet met een hoog raam waarvoor de halve gevel moest worden afgebroken. Maar Nélie zou na haar huwelijk geen penseel meer aanraken. Aangestoken door de verzamelkoorts van haar man besteedde ze de rest van haar leven aan het kopen van kunst en het vervolmaken van hun woning.

In de dertien jaar van hun huwelijk bezochten ze alle hoeken van Europa, op zoek naar nieuwe kunstschatten. Elke winter bleven ze twee maanden in Italië waar ze van de ene antiquair naar de andere trokken. Op hun eerste Italiaanse reis, in 1882, kochten ze meer dan honderd kunstwerken. Hun aankoopbudget overtrof dat van de grote musea, inclusief het Louvre. Vaak spendeerden ze zo'n half miljoen francs per jaar aan kunst en hun collectie zou uiteindelijk meer dan 5000 werken tellen.

Op die eerste Italiëreis leerde het echtpaar in Florence de kunsthandelaar Stefano Bardini kennen, die een van hun grootste leveranciers werd. Bardini, zelf ook een hartstochtelijk verzamelaar, had zijn huis ingericht als een waar Florentijns palazzo, een museum voor de Italiaanse renaissance-kunst, dat na zijn dood in 1922 de naam Museo Bardini kreeg. Bardini's palazzo bracht Nélie op het idee om in hun eigen villa, in haar ongebruikte atelier en de belendende vertrekken, eveneens een Italiaans Renaissance-museum in te richten. Ze bracht meteen een grote kunstverhuizing op gang van Italië naar Parijs. Schilderijen, sculpturen, maar ook oude architectuurfragmenten als gebeeldhouwde deurlijsten, frontons en pilasters, altaarornamenten, wandfonteinen, marmerreliëfs en zelfs een compleet in grisaille beschilderd vakken-plafond, liet ze inpakken en naar Parijs sturen. De muren in haar atelier werden lichtblauw gestuct en de reliëfs en andere fragmenten ingemetseld. Voor sommige beelden, zoals de Maria met kind in blauw en geel geglazuurde terracotta van Andrea della Robbia, werden nissen in de muren gehouwen.

Wie nu het atelier betreedt en - zoals ik - kortgeleden het Museo Bardini zag, wordt getroffen door de overeenkomst, door de overstelpende hoeveelheid Italiaanse sculpturen, ornamenten, reliëfs en meubelstukken die, net als bij Bardini, het vertrek vullen. In de naastgelegen zaaltjes, waar de schilderijen hangen, waant de bezoeker zich tussen de tientallen madonna's met kind werkelijk in Italië. De mooiste madonna is te zien op een schilderij uit 1470 van een Maria met speels krullend haar, dat aan Botticelli wordt toegeschreven en op het doek De madonna met het puttertje van Pietro Perugino, dat vlak naast Uccello's Sint Joris hangt. Niet alleen Maria is op dit schilderij een toonbeeld van elegantie, ook het kind heeft een lieftallige pose aangenomen en lijkt de kijker met zijn rechterhandje vriendelijk toe te zwaaien. Aan een ragfijn koordje in zijn linkerhand zit het puttertje, het vinkje dat de doornen wegtrok uit het hoofd van de gekruisigde Christus, wiens heilige bloed het vogelkopje voor altijd rood zou kleuren. Achter Maria glooit het Umbrische landschap en boven haar hoofd vulde Perugino de ruimte met een guirlande van roze rozen.

Wintertuin

Terwijl ze bezig waren met het inrichten van hun 'geheime museum', of 'heiligdom', zoals Nélie en Edouard André hun Italiaanse zalen noemden, werd de rest van het huis niet verwaarloosd. Voor hun bibliotheek, werkkamer, eetzaal en boudoir kochten ze in deze jaren vier achttiende-eeuwse plafondschilderingen van Giambatista Tiepolo. Uit de Villa Contarini bij Venetië lieten ze behalve een plafondschildering ook een driedelig, monumentaal fresco van Tiepolo weghalen dat bestemd was voor het trappenhuis aan de boulevard Haussmann. Op deze in zachte pasteltinten uitgevoerde muurschildering beeldde Tiepolo het bezoek af dat koning Henri III in de zestiende eeuw aan de familie Contarini had gebracht. Het is een feestelijk tafereel, vol wuivende waaiers, banieren en trompetten. Nadat ze het fresco in 1892 hadden gekocht, schreef Nélie in een brief dat zij en haar man zoveel affiniteit met het werk hadden dat het wel speciaal voor hen geschilderd leek.

Het driedelige fresco is een van de grote verrassingen in het Musée Jacquemart-André. Beneden in de wintertuin, waar de twee trappen van marmer met verguld gietijzer gracieus omhoog cirkelen, is al een glimp van de schildering te zien. Maar de bezoeker wordt hier nog geheel in beslag genomen door de pracht en praal van de wintertuin met zijn Griekse beelden tussen de palmen en varens, de vloer met veelkleurige marmerpatronen en de Romeinse sarcofaag die dienst doet als plantenbak: in de stenen doodskist groeit een wilde bos aronskelken. Pas bovenin het trapportaal vraagt Tiepolo's zonnige schildering alle aandacht.

De wintertuin, de oriëntaals ingerichte rookkamer en ook de bibliotheek met de ingetogen Hollandse kunst uit de zeventiende eeuw, contrasteren met de overige benedenvertrekken waar de wufte toets van de Franse barok en rococo overheerst. Maar tussen de 'fêtes galantes', de pronkportretten van Nattier en de zwoele godinnen van Boucher, tussen al die crème, roze en lichtblauwe luchthartigheid waar Edouard André zich zo toe aangetrokken voelde, hangen ook schilderijen die van een minder frivole geest getuigen, zoals de twee met een ongelooflijke precisie gecomponeerde gezichten op Venetië van Canaletto of het schitterende tweeluik waarop Chardin de attributen van de wetenschap en van de kunst weergaf.

Toen Edouard André in 1894 was overleden, zette zijn vrouw, die zich nu Nélie Jacquemart-André noemde, het verzamelen onverminderd voort. Ze vond zelfs nog de kracht om een kasteeltje in te richten en te vullen met de kunstwerken waarvoor ze thuis geen plaats meer had. Het was het kasteel Chaalis in Ermenonville ten noorden van Parijs, dat ze in 1902, terwijl ze door India reisde, als buitenverblijf kocht. Net als l'Hôtel André zou Chaalis later een museum worden.

In haar testament liet Nélie Jacquemart-André vastleggen dat het Parijse museum de naam van haar en haar man moest dragen en dat het interieur, met alle meubels en kunstwerken in stand moest worden gehouden zoals het was. 'Het is mijn absolute wens dat men geen enkel voorwerp verplaatst', zo voegde ze daar beslist aan toe. Die wens is bij de recente renovatie van het museum geëerbiedigd - alles werd zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht en hersteld.

Het enige dat men de nieuwe directeur van het museum, de kunsthistoricus Nicolas Sainte Fare Garnot, kan verwijten, is de gebrekkige toelichting bij de collectie. De verzameling is ooit gecatalogiseerd, maar die catalogus is niet te koop. Het speciale nummer dat de Gazette des Beaux Arts vorig jaar aan het museum wijdde, ligt evenmin in de museumwinkel. Uit die Gazette kan men leren dat het echtpaar André meermalen het slachtoffer was van kunstvervalsers en ook weleens schilderijen kocht met een dubieuze herkomst. In het museum wordt daarover gezwegen en staat bijvoorbeeld bij twee door J. Boucher gesigneerde ontwerpen voor een plafondschildering zonder verder commentaar de naam Jacob de Wit als kunstenaar vermeld. Dat de signering vals is, moet het publiek maar raden. De bezoekers moeten het stellen met een 'audio-gids', een gesproken tekst die alleen wat basisinformatie verschaft en een boekje van 32 pagina's waarin de tekst eveneens tekort schiet.

Voor een museum met een zo belangrijke en gevarieerde collectie zou een degelijke catalogus geen luxe zijn. Is de Madonna met kind die hier als een Giovanni Bellini geëxposeerd wordt, een heuse Bellini of een twijfelachtige toeschrijving? En wat te denken van het met Frans Hals gesigneerde doekje van een lachende jongen dat hier als een schilderij van Judith Leyster hangt? Dat zijn vragen die een serieus museum niet kan negeren.

    • Lien Heyting