Een lading tederheid

Dorine Bronkhorst en Esther Wils: Tropenecht. Uitg. Tongtong, 168 blz. Prijs ƒ 67,50 (geb.) of ƒ 55,- (paperb.)

Wat is er zo bijzonder aan Tropen-echt, een boek over Nederlands-Indische tropenkleren, door Dorine Bronkhorst en Esther Wils? Het is, denk ik, dat je er aan kunt zien dat het met grote liefde gemaakt is. Het straalt er op een of andere manier vanaf: toen ik bij Van Stockum op de Pasar Malam zat te signeren kon ik zien hoe bezoekers het boek oppakten en er dromerig mee in hun handen stonden (en er, mag ik hopen, ook dromerig mee naar de kassa liepen). Uitvoering, afwerking, omslag, de keuze van de foto's: het ademt zorg, al vanaf de Inleiding, waarvan de titel over een foto is afgedrukt: een Hollandse vrouw in sarong-kebaja, gebogen over een baby die op een tafel ligt, in een houding die grote tederheid uitdrukt, verbazing bijna: 'is die baby echt van mij? hier? buiten? op een tafel zomaar in de open lucht?'. En dat is inderdaad wat de foto die volkomen on-Europese sfeer geeft: dat het zich buiten afspeelt op een Indisch erf, onder een ramboetanboom zo te zien (of een kedondong, dat kan ook).

Zo'n lading tederheid voel je ook in veel van de andere foto's: het moet wel (misschien onbewust) een criterium bij het selecteren zijn geweest. Neem de werkelijk onvergetelijke omslagfoto: een Indische familie - of twee Indische families - ze bevinden zich in een soort belvédère, een open galerijtje, in een berglandschap dat in de verte heiïg in de zon ligt. Maar dat galerijtje is gedompeld in wat in de fotografie heet: 'light shadow'; je voelt de koele berglucht over je huid strijken, je kijkt naar de gezichten en je denkt: O, daar was het; het is om in snikken uit te barsten, want het is er niet meer en het komt nooit nooit meer terug. Je ziet borden met Indische lekkernijen (roedjak?) en op de tafel staat een doos met Huntley & Palmers Reading Biscuits. Een van de meisjes heeft een guitaar op haar schoot. Eens, een ondeelbaar ogenblik - hoe lang geleden? tachtig jaar? - heeft zij zo gekeken: lief, goedlachs, een beetje melancholiek; je kunt feilloos horen hoe haar stem heeft geklonken (ik tenminste hoor dat); maar wat die foto toont is stilte, het suizen van de bergwind. Een wereld die jaren later, in mijn kinderjaren, nog bestond.

Elegant

Hoe gevoelig voor die sfeer moeten de samenstellers zijn geweest; dat blijkt bijvoorbeeld uit een detail als de keuze van het bijschrift bij die foto: een tekstfragment uit Nog pas gisteren van Maria Dermoût. ' 'Nancy is elegant', zei papa op een keer. Elegant was anders dan zo maar netjes, dat was iets heel aparts, het had wel iets met kleren te maken, maar niet veel. Zij droeg 's morgen inplaats van sarong en kabaai een lange jurk, dat heette een bébé...'

Een van de raadsels van het Indische verleden, dat ook in dit boek weer tot uiting komt, is dat er zo vaak op die kleren werd gescholden. 'De bébé, een afgrijselijke jurk voor volwassenen van de vrouwelijke kunne', schreef Victor Ido, '...maakte van elke jonge en oude vrouw een onooglijk wezen.' Hij zal dat wel gevonden hebben maar op oude foto's is daar, vind ik, niets van te zien. Bébés hadden, net als de Laura Ashley-jurken, een beetje een 'prille jonge maagd in de slaapkamer'-accent (misschien was dat waar zedenmeesters op reageerden), en voor iemand die groot en dik is kan dat onflatteus zijn. De schepping zit helaas zo onrechtvaardig in elkaar dat er vrouwen bestaan die er altijd onaantrekkelijk uitzien, wat ze ook aanhebben; uiteraard bestond onder de Hollandse vrouwen in Indië net als in Europa het tragische aangeklede karrepaard, maar het is niet fair de kleren de schuld te geven.

Nog onbegrijpelijker vind ik dat sommige mensen ook afgeven op sarong-kebaja. Bébés zijn van ver voor mijn tijd, die heb ik nooit in werkelijkheid gezien, maar Europese vrouwen die thuis sarong-kebaja droegen waren er nog wel (het was de dracht die het best bij het klimaat paste) en in mijn kinderogen waren het de mooiste kleren die er op de hele wereld bestonden - en nog: voor mij is het een verfijnde en koninklijke dracht, niet alleen voor jonge vrouwen maar ook voor dikke oude nonna's, die er juist in Europese jurken veel bespottelijker uitzien.

Intussen is nu tot mijn verdriet de mooie en traditionele sarong-kebaja in het huidige Indonesië bezig verdrongen te worden door de vroom-Islamitische hobbezak, een kledingstuk van Arabische oorsprong, heel wat lelijker dan wijlen de bébé.

Ook de vroegere mannenbroeken van batikstof, bekend als 'slaapbroek' hoewel er niet in werd geslapen, hadden in mijn ogen iets aristocratisch. Op menige foto in het Bronkhorst/Wils-boek wordt dat fraai geïllustreerd. De jongen links onderaan op blz. 71 bijvoorbeeld: ondanks zijn Hollandse kaaskop heeft die ook iets voornaam Javaans, het spreekt uit zijn manier van zitten. Het gevreesde 'verindischen', vroeger onderwerp van voortdurend vermaan, was namelijk ook iets met lichaamshouding, een manier van zitten, staan en lopen, in feite heel wat stijlvoller dan de stijve houterigheid uit Holland. Op de foto's in Tropenecht zijn beide goed vertegenwoordigd.

Heiligschennis

Dat is, als je de foto's goed bekijkt, hun kwaliteit: ze zijn gekozen met een trefzeker gevoel voor stijl. Een hoogst opmerkelijk voorbeeld, ja, een van de vreemdste foto's die ik ooit heb gezien, is die van vijf modieus geklede Europese vrouwen poserend bovenop de Boroboedoer. Het treft vaag als heiligschennis, maar dat is eigenlijk onzin. Ik vroeg me af of de datering, 'omstreeks 1920', niet wat te vroeg is: zo zagen kinderkleren eruit toen ik op school zat. Overigens was er op een nog vroeger tijdstip zelfs een theepaviljoentje op de Boroboedoer. Je kunt zien dat het monument toen nog omringd was door een dicht geboomte: daar is al lang niets meer van over.

Ook de tekst bevat in de vorm van citaten en fotobijschriften allerlei merkwaardige en frappante observaties. Bijvoorbeeld over de voor buitenstaanders onzichtbare kunstwaarde van sarongs: 'De in Indië geboren en opgevoede dames hebben veelal een groot kapitaal er in steken, menige sarong kost ƒ 40 en hooger, maar deze zijn niet voor haar die pas aankomen; want zij kunnen er de waarde toch niet van apprecieeren en men heeft daarvan 'namaken', die in haar oog even mooi zijn en die niet meer dan een gulden of een daalder kosten..' Dat is uit een modetijdschrift van 1904. Ter vergelijking: een confectiepak kostte toen ƒ 25. Veertig gulden was in Indië een kolossaal bedrag.

Over kinderkleding: 'Een bijzonderheid, wat kinderkleding en klein-kindergoed betreft, is dat in Indië geen spelden gebruikt worden, vooral niet bij 't goed van babies... In Indië geschiedt alle sluiting middels bandjes, knoopjes en anderszins...' Wat natuurlijk ook de verdiende aandacht krijgt is de tjilana monjet ('apenbroek') waar alle Indische kinderen tot hun 10e jaar in liepen; het was een soort kussensloop met vijf gaten voor hoofd, armen en benen (er wordt in het boek zelfs een knippatroon voor gegeven). Om nu op mijn beurt wat esoterische kennis over dit kledingstuk bij te dragen: het probleem van de tjilana monjet was het ontbreken van een gulp. Om te plassen werkte je het daartoe bestemde orgaan naar buiten door een van de beenopeningen (gewoonlijk de linker), maar soms waren die zo nauw dat dat niet meeviel. En, onderdeel van het fatale 'verindischen', je hield er ook later de gewoonte aan over nooit je gulp te gebruiken maar eenvoudig je broekspijp op te lichten: 'als een inlander' zoals het Internaatspersoneel dat smalend noemde. Overigens zijn dit nog de luxeproblemen van mijn voor deze bezigheid zo bevoorrechte sexe; bij meisjes moest (voor zover mij bekend) de hele zwik uit: schouderbandjes los en de hele tjilana monjet naar beneden.

Ach, de voorraad herinneringen over deze dingen is onuitputtelijk. Bij sommige foto's (bijvoorbeeld, vreemd genoeg, die van een gangetje langs het huis, op blz. 39) ruik ik duidelijk de geur van een Indische middag. En dan zijn er al die prachtige foto's van oude Indische huizen met de hele familie er voor, of beter gezegd er achter, zoals die op blz. 29. Bij het bekijken daarvan kwam het gevoel van herkenning over me heen als een soort dekentje dat om mijn schouders wordt gelegd; het kwam, denk ik, door het herkennen van de lichte en donkere vlekken op het grote, overhangende pannendak: dat is, zo drong opeens tot me door, de schaduw van een hoge boom buiten het beeld.

    • Rudy Kousbroek