Drank en ecstasy

Irvine Welsh: Ecstasy. Uitg. Jonathan Cape, 276 blz. ƒ 29,95.

Amsterdam huisvest Engelands meest provocerende literaire talent, Irvine Welsh, in weerwil van zijn naam een geboren en getogen Schot. In september gaat de verfilming van zijn Trainspotting in Nederland in première, en bij die gelegenheid komt de Arbeiderspers met een vertaling van deze opmerkelijke roman uit 1993.

De publicatie van zijn nieuwe boek Ecstasy brengt ook de nodige media-aandacht met zich mee. Dat pilletje is geen nieuwigheid in de boeken van Welsh, literaire voorman van de 'Chemical Generation'. Je kunt bijna zeggen dat die erdoor worden voortbewogen, en door alcohol, heroïne, speed, en een enkel paracetamolletje. Maar zijn werk heeft, precies zoals dat van zijn Amerikaanse evenknie Bret Easton Ellis uit een veel verwender sociaal milieu, een onmiskenbare moralistische lading die niet erg lijkt te horen bij de toon, de taal, de inhoud en het perspectief ervan.

Welsh is schokkend rauw, vol haat, doelbewust gewelddadig en smerig - snot, stront, sperma, bloed en alle andere lichaamssappen worden rijkelijk uitgestort. (Hoewel: nergens tranen). De lezer wordt meegesleurd naar house-parties, stinkende kraakpandjes vol junks en andere ongelukkigen, met drank en pillen overgoten vechtpartijen tussen voetbalbendes, naar een mortuarium waar een rijke necrofiel zijn wil doet met al dan niet verminkte lijken van beiderlei kunne, naar het stevig opgepepte maar onveranderlijk katterig eindigende bedleven van een E'd-up aso, het masturberen met een meloen, naar het de tanden uit de mond trappen bij een homohoer die voordat hij de auto uit wordt geschopt nog even de dader moet pijpen. De lezer kijkt zijn ogen uit, de oren tuitend door het Schotse straattaaltje, en vraagt zich uiteindelijk lichtelijk murw af hoe het nu zit met de literaire waarde.

Met zijn onbarmhartige grit-lit over het uitzichtloze bestaan van jonge, in drugs en andere kicks vluchtende bewoners van de Schotse armengetto's spreekt Welsh (37) een publiek aan dat normaal gesproken geen literatuur ter hand neemt. Dat is, ondanks de onzuivere motieven, een pluspunt. Des te spijtiger is het dat hij het her en der van de pagina's afspattende literaire talent niet weet waar te maken of vol te houden. De sensatiezucht, mogelijk ook de publiceerdrift van de schrijver of zijn uitgever, heeft de overhand gekregen en dat is - het valt niet mee na het consumeren van Ecstasy nog een net woord te vinden - verdraaid jammer.

De drie verhalen in dit boek lijken veel te vroeg gepresenteerde ruwe versies van in potentie sterk werk. Zoals het nu is, rammelt er van alles aan: de personages, de verhouding tussen grotesk en geloofwaardig, de gekunsteldheid van de als los zand aan elkaar hangende plots onder alle ongeciviliseerde bruutheid, de op onwaarschijnlijke momenten blootvallende blanke pitten in de ruwste bolsters, het gluren bij anderen (A Clockwork Orange), en het onbedaarlijke epateren dat zijn doel voorbij schiet. Laten we zwijgen over de homo- en vrouwenhaat die uit zijn boeken spreekt; die valt vermoedelijk onder het hoofdje 'realistische weergave'.

De kroegmaten van een man die weg wil omdat zijn vrouw op het punt staat te bevallen: 'Roobeesh! Ferst woons ur orlweys loite, everywoon knows that!' Voor vertalers én ervaren lezers geldt: riemen vast en zonnebrillen op.

    • Margot Engelen