De taillelijn zwerft door de eeuwen over het lichaam

Tentoonstelling: Gekleed en wel. Mode 1770-1970 nader belicht. Historisch Museum, Schielandshuis, Korte Hoogstraat 31, Rotterdam. Di t/m vrij 10-17.u. Za. zon- en feestdagen 11-17u. Tot en met maart 1998.

Onlangs berichtte een Engelse krant over kinderen van een jaar of tien die zich alleen nog in designer-kleren willen vertonen. De geïnterviewde tieners gingen naar school in bijvoorbeeld een T-shirt van Versace à ƒ 120,-, een broek van Armani van ƒ 200,- en een regenjasje van Moschino à ƒ 350,-. Een van de jongetjes was zo in de ban van de modeontwerpers dat hij zijn hamster Calvin had genoemd, naar de Amerikaanse ondergoedgigant Calvin Klein.

Deze kinderen hadden beter zo'n anderhalve eeuw geleden geboren kunnen worden. Toen was het heel vanzelfsprekend dat kinderen uit de rijke klasse net zulke dure en bewerkelijke kleren kregen als hun ouders. Als moeder een corset en crinoline droeg dan deed dochter dat ook, en de jongetjes liepen in dezelfde bewerkte pakjes als hun vaders.

Pas na 1870, toen men oog kreeg voor het welzijn van het kind, ontstond er zoiets als speciale kinderkleding - in dezelfde periode dat de kinderbescherming werd opgericht en de kinderarbeid afgeschaft. In de nieuwe kleren, zoals morsschorten en boezeroenen, konden kinderen ongestoord spelen en vies worden, in plaats van alleen maar mooi zijn. Ze droegen eenvoudige katoenen jakjes en broeken, geborduurd met voorstellingen van ballende of 'bandelende' (een hoepel voortbewegen met een stokje) kinderen.

Een aantal voorbeelden van dit laat negentiende-eeuwse kindergoed is nu te zien op de tentoonstelling Gekleed en wel. Mode 1770-1970 nader belicht in het Schielandshuis, het Historische Museum van Rotterdam. Dit museum stelt iedere twee jaar een expositie samen van textiel uit de eigen collectie. Twee jaar is de maximale tijd dat een oud kledingstuk aan buitenlucht en wisselende temperaturen mag worden blootgesteld.

De huidige tentoonstelling, die tot in 1998 te zien zal zijn, is sober ingericht. Negenenveertig kostuums hangen op torso's en in een aparte kast zijn accessoires te zien, zoals waaiers, schoenen, handtasjes en hoeden. De kleding wordt niet chronologisch getoond, maar thematisch. Uit elf periodes tussen 1770 en 1970 zijn onderwerpen gekozen. Zo zijn er sportkleren voor dames te zien uit 1890, cocktailjurken uit de jaren twintig, crinolines uit het midden van de vorige eeuw en zelfgemaakte hippie-brouwsels uit de jaren zeventig.

Bij het betreden van de tentoonstellingsruimte, op de zolder van het museum, valt op hoe donker het is. Om de kleding te sparen worden de vitrines om de beurt verlicht, kris kras door de vierkante ruimte. Dit geeft een spannend, spookachtig effect dat nog wordt versterkt door het feit dat de paspoppen geleidelijk worden uitgelicht; ze beginnen als geheimzinnig silhouet en krijgen langzaam meer licht, tot ze uiteindelijk volledig te zien zijn. Dan doemt er een onthoofde man op in tweedkostuum, of een voetloze amazone in zwartlaken pak.

De katoenen kinderkleertjes worden getoond naast een selectie hippiekleren, omdat conservator/restaurateur Sjouk Hoitsma tussen beide onderdelen een verband zag. Zoals in de begeleidende tekst wordt uitgelegd lijken de katoenen speelpakjes op de hippie-tuniek die ernaast hangt, door de rechte schouderpas en het ontbreken van een taille.

Het is trouwens frappant te zien hoe de taille-lijn in de loop van de eeuwen over het bovenlichaam zwerft. Hoog, tot net onder de borsten, loopt die lijn in de tijd van Napoleon (toen de Nederlandse elite zich voor de mode al door Frankrijk liet inspireren); ze was laag ten tijde van de crinolines (halve maan-vormige mandjes die onder de rokken worden gedragen en in combinatie met het corset een zandlopervormig figuur geven) en kwam deze eeuw op haar laagst, òp de heupen, bij de art déco-mode van de jaren twintig.

Dat de taille zakte was te danken aan de inspanningen van de Vereniging voor Verbetering van Vrouwenkleding, opgericht in 1881 door vrouwen uit de gegoede klasse, die het corset als oorzaak aanmerkten van slechte spijsvertering, hartklachten en ademhalingsproblemen. Niet alleen met het verlagen van de taille had de vereniging succes, maar ook wat betreft de overstap van fijne stoffen als zijde en satijn op eenvoudiger materialen als wol en katoen. De tentoonstelling toont prachtige jurken uit 1917, gemaakt van fijne katoen en mousseline versierd met broderie, met de taille-lijn op de normale plaats. Ter optische versmalling van het postuur kon hier altijd nog een wielgrote, gazen hoed bij worden gedragen.

Al zijn het voornamelijk de kleren van de elite die uit de verschillende tijdperken bewaard zijn gebleven, Hoitsma probeert zoveel mogelijk alledaagse kleding van 'gewone' mensen te verzamelen en te tonen. Zo heeft ze onlangs een schortje verworven uit de jaren dertig, van een meisje dat in de Van Nelle-fabriek werkte. Op de tentoonstelling blijkt Hoitsma's streven vooral bij de recentere episodes. De zelfgemaakte hippie-blouse van oude sjaals en de met ban-de-bom-tekens geborduurde jurken zijn gedragen door 'gewone' mensen, net als de jurk met wijde rok en nauw lijfje uit de jaren vijftig, een voorbeeld van de 'New Look' van Christian Dior.

    • Hester Carvalho