De genadepenning van een bedrogen keizer; Drie monografieën over schilder Samuel van Hoogstraten

C. Brusati: Artifice and Illusion, The Art and Writing of Samuel van Hoogstraten. University of Chicago Press, 428 blz. Prijs ƒ 141,75

P. Thissen: Werk, netwerk en letterwerk van de familie Van Hoogstraten in de zeventiende eeuw. APA Holland University Press, 333 blz. Prijs ƒ 75,-

M. Roscam Abbing: De schilder en schrijver Samuel van Hoogstraten 1627-1678, Eigentijdse bronnen en oeuvre van gesigneerde schilderijen. Uitg. Primavera pers, 192 blz. Prijs ƒ 49,50

Op 6 augustus 1651 maakte Samuel van Hoogstraten in Wenen zijn opwachting bij Ferdinand III, de keizer van het Heilige Roomse rijk. Hij greep de audiëntie aan om drie schilderijen te laten zien die hij uit Dordrecht had meegenomen. De keizer toonde zich vooral onder de indruk van een trompe l'oeil schilderij. Hij prees Van Hoogstraten als de eerste kunstenaar die hem 'bedrogen' had en besloot het stuk voor 'straf' niet terug te geven. Wel ontving hij het belangrijkste vorstelijke eerbewijs dat een schilder ten deel kon vallen: een gouden ketting met genadepenning.

Van Hoogstraten zou in de daaropvolgende jaren geen gelegenheid onbenut laten om de keizerlijke waardering van zijn werk onder de aandacht te brengen. Op zelfportretten en stillevens is de ketting prominent aanwezig. Ook in de lofdichten die hij met zijn vrienden in Dordrecht uitwisselt, duikt de Weense episode telkens op.

In de drie boeken die in de afgelopen twee jaar over Van Hoogstraten zijn verschenen wordt hij gekarakteriseerd als een eerzuchtig kunstenaar. Monografieën over 'kleine' zeventiende-eeuwse meesters zijn dun gezaaid. De lijvige studies over Van Hoogstraten staan niet in verhouding tot zijn belang als schilder. Ze bestaan omdat hij óók als dichter en kunsttheoreticus (Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilderkonst, 1678) actief was. Zo'n bereisd en geletterd man biedt aanknopingspunten voor een cultuurhistorische studie. Aan bronnenmateriaal is geen gebrek en bovendien is hij één van de schaarse zeventiende-eeuwse meesters die over eigen werk heeft geschreven. Geen van de drie boeken is echter een bevredigende cultuurhistorische studie.

Samuel van Hoogstraten (1627- 1678) leerde het schildersvak bij Rembrandt. Toen hij, na een reis naar Rome en Wenen, in Dordrecht terugkeerde, kreeg hij als dichter en schilder veel waardering. Toch besloot hij in 1662 naar Londen te verhuizen. Hij vond er opdrachtgevers in hofkringen, maar werd niet één keer door koning Charles II geïnviteerd. Engeland werd geteisterd door een oorlog met de Republiek, een pestepidemie en een hevige brand die driekwart van Londen in de as legde. In brieven beklaagde Van Hoogstraten zich over het uitblijven van succes. Hij verzond ook literair werk naar de overzijde van het Kanaal. In 1666 werd zijn toneelstuk Dieryk en Dorothé in Den Haag uitgegeven. Een jaar later keerde hij in Nederland terug, waar hij nog elf jaar stillevens, portretten en genrestukken zou schilderen.

Van Hoogstraten heeft een wisselvallig oeuvre nagelaten. Behalve prachtige stillevens en interieurs maakte hij ook plichtmatige portretten of een slordig religieus tafereeltje. Brusati schrijft daarover nauwelijks in Artifice and Illusion. Ze benadrukt alles wat Van Hoogstraten in een gunstig daglicht plaatst en moffelt minder glorieuze feiten weg. Met begrippen als 'self-presentation', 'self-legitimation' en 'self-perpetuation' worden Van Hoogstratens belangstelling voor optica, zijn kunsttheoretische verhandelingen en zijn eerzucht samengesmeed tot een stelsel van theorieën. Brusati ontpopt zich als pleitbezorger van de schilder. Zijn belang wordt uitvergroot, zijn succes overdreven.

De dissertatie van Thissen beperkt zich niet tot Samuel van Hoogstraten, maar besteedt ook aandacht aan zijn broer, de uitgever/vertaler Frans van Hoogstraten. Aan de hand van een grote hoeveelheid bronnen schetst Thissen hun positie in de literaire kringen van Dordrecht en Rotterdam. De ondertitel belooft een studie van 'sociaal-economische en sociaal-culturele achtergronden van geletterden in de Republiek', maar dat maakt Thissen niet waar. Hij blijft angstvallig dicht bij zijn onderwerp en schrikt terug voor een brede samenhang. Waarom valt er vrijwel niets te lezen over de context waarin lofdichten werden geschreven? De nuances van religieuze stromingen als chiliasme en socinianisme worden in de tekst niet toegelicht. Thissen neemt evenmin de moeite om Latijnse of Franse passages in het Nederlands te vertalen. Verder zijn een goed begrip van zeventiende-eeuwse omgangsvormen en inhoudelijke kennis van het proza uit die tijd nodig om de tekst te kunnen volgen. Een dissertatie stelt hogere eisen aan de lezer dan een populair-wetenschappelijk boek, maar de vraag dringt zich op of de wetenschap gediend is met publicaties die zoveel bekend veronderstellen bij de lezer.

Hoewel Thissen veel Dordtse dichters beschrijft, heeft hij daarmee het in de titel beloofde 'netwerk' nog niet blootgelegd. Merkwaardig is dat hij het boek De onzichtbare Wereld, dat Van Hoogstraten als pendant van de Inleyding had geschreven, maar dat verloren is geraakt, nergens ter sprake brengt. De curieuze tekening van het familiewapen die op de voorkant van zijn boek staat, moet het ook al zonder uitleg stellen. Wie iets over die tekening wil weten kan terecht bij Michiel Roscam Abbing. Die verklaart niet alleen de literaire verwijzingen in het schetsje, maar doet ook een familieschandaal uit de doeken dat met de tekening samenhangt. Roscam Abbing, een verre nazaat van de schilder, heeft gekozen voor een minder ambitieuze opzet en biedt een chronologische aaneenschakeling van de bronnen. Zijn boek is veel leesbaarder dan de twee andere, ook al bestaat het deels uit notariële akten.

    • Erik Spaans