Conflict in Burundi heeft lange geschiedenis

Als er een regio in Afrika is waar door de koloniale machten opgelegde grenzen weinig betekenis hebben voor de politieke realiteit, dan is het wel het zogeheten gebied van de grote meren (Rwanda, Burundi en Oost-Zaïre).

De inwoners voelen er zich in de eerste plaats Hutu of Tutsi en pas daarna Burundiër of Rwandees. Radicale Tutsi's in Burundi grijpen mede naar de wapens omdat ze de slachtpartijen van Hutu-extremisten onder Tutsi's in Rwanda in 1994 als voorbode zien van wat hun zelf in eigen land te wachten zou kunnen staan. Hutu-guerrillastrijders in Burundi voeren acties uit in Rwanda omdat ze er heilig van overtuigd zijn dat het huidige, door Tutsi's gedomineerde, bewind in Rwanda met alle andere Tutsi's in het gebied een nieuw Tutsi-rijk wil stichten.

Het is niet geheel duidelijk wanneer de Hutu's en Tutsi's naar het gebied van de grote meren zijn getrokken. De Hutu's kwamen er waarschijnlijk al twee- of drieduizend jaar geleden, de Tutsi's volgden enkele eeuwen later. Vaststaat wel dat toen de Europeanen aan het eind van de vorige eeuw het gebied binnentrokken, er een quasi-feodale orde was uitgekristalliseerd met de Tutsi's als heren en de Hutu's als knechten.

Onder het bestuur van België, dat deze landen na de Eerste Wereldoorlog als mandaatgebied kreeg toegewezen, nam die sociale segregatie alleen nog maar toe. Tutsi's waren geboren chefs, aldus de Belgen, en konden daarom het beste het land naar de ontwikkeling leiden. In de jaren dertig had de Hutu-bevolking, die voor de komst van de Europeanen naar het gebied via een klein aantal chefs zijn stem had kunnen laten horen, elke invloed op het bestuur verloren.

Tijdens de Belgische kolonisatie nam het verzet tegen de bestaande orde toe, zowel onder Tutsi's als onder Hutu's. Tutsi-intellectuelen kregen grote weerzin tegen de macht van de mwami, de traditionele Tutsi-koning. Hutu's tekenden steeds meer verzet aan tegen een sociale orde die de Tutsi's bevoordeelde en waarin zij buitenspel stonden. In 1957 eiste een groep Hutu-intellectuelen in Rwanda participatie in het bestuur. Hun manifest was het begin van een ontwikkeling waarin de Hutu-bevolking met steun van de rooms-katholieke kerk (die zei het op te willen nemen voor de verdrukten) en de Belgische koloniale autoriteiten (die huiverig waren voor het verlangen van de Tutsi-elite om zo snel mogelijk onafhankelijk te worden) de macht in Rwanda overnam. De Rwandese staat die in 1962 het licht zag, was een Hutu-republiek. Tutsi's die verzet aantekenden tegen de nieuwe orde, werden vermoord of gedwongen te vluchten naar Zaïre, Oeganda of Burundi.

In Burundi was de ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog anders. Omdat de mwami in Bujumbura meer oog had voor de belangen van de Hutu-bevolking dan zijn collega in Rwanda, was de etnische scheidslijn minder scherp. Bij de eerste parlementsverkiezingen in 1961 kreeg de Tutsi-partij UPRONA van prins Louis Rwagasore dan ook een groot aantal stemmen van Hutu's. Meer dan eenderde van de UPRONA-kandidaten behoorde ook tot die etnische groep. Als er al sprake was van een conflict dan was het tussen rivaliserende facties binnen de Tutsi-elite.

Mede door de gebeurtenissen in Rwanda (waar de Tutsi's in de nieuwe republiek niets te vertellen hadden en vaak werden vervolgd) veranderde dat. De Tutsi's binnen UPRONA monopoliseerden langzaam maar zeker de macht. Bij verkiezingen in 1965 kregen Hutu-kandidaten de meeste stemmen maar de mwami benoemde desalniettemin een Tutsi-premier. Verzet daartegen werd hardhandig neergeslagen: een aantal Hutu-leiders werd zonder enige vorm van proces geëxecuteerd. In 1966 pleegde kapitein Michel Micomboro een staatsgreep om een einde te maken aan de politieke chaos: de Tutsi's, en dan met name die uit de zuidelijke provincie Bururi, kwamen definitief aan de macht. In de jaren die daarop volgden was er continu sprake van vluchtelingenstromen in het gebied van de grote meren. Als gevolg van slachtpartijen van het Burundische Tutsi-leger onder de Hutu-bevolking vluchten in 1972 enige honderdduizenden Hutu's vanuit Burundi naar Rwanda. Tutsi's die de ondergeschikte positie van hun etnische groep in Rwanda niet meer aankonden, kwamen vanuit Rwanda naar Burundi. In extremistische groeperingen van beide etnische groepen spelen vluchtelingen vaak een vooraanstaande rol.

Onder druk vanuit het Westen stemden de presidenten van Rwanda en Burundi aan het eind van de jaren tachtig in met democratisering. In Rwanda ging de president, Habyarimana, akkoord met een meerpartijensysteem. De vooruitzichten voor democratie in het land waren echter somber: de bevolking groeide snel en de economie van het land maakte door de sterke daling van de prijzen van koffie en thee op de wereldmarkt een zware crisis door. Na oktober 1990, als de Tutsi-rebellen van het Rwandese Patriottische Front het land binnenvallen, namen de etnische spanningen in het land tussen Hutu's en Tutsi's sterk toe. De zogeheten akazu (de corrupte groep rond Habyarimana die sterk van diens bewind profiteerde) verzette zich met hand en tand tegen pogingen van de president om vrede te sluiten met het Patriottische Front. Met Hutu-milities werden plannen ontworpen om alle Tutsi's in Rwanda te elimineren. Op 6 april 1994, als het vliegtuig van Habyarimana wordt neergehaald en de president om het leven komt, begonnen de milities een slachtpartij onder Tutsi's en gematigde Hutu's. Deze vonden pas een einde toen het RPF het regeringsleger en de Hutu-milities versloeg. Pogingen van het RPF om na de overwinning een multi-etnische regering te vormen, faalden. Prominente Hutu-politici als Seth Sendashonga en Faustin Twagiramungu stapten al vrij snel op, achter de schermen lag de macht bij een kleine groep, veelal in Oeganda opgegroeide, Tutsi's.

In Burundi schreef president Pierre Buyoya, hoofd van de junta die gisteren de macht overnam, in 1993 presidentsverkiezingen uit. Winnaar was de Hutu Melchior Ndadaye, die lange tijd in ballingschap in Rwanda leefde. Met name voor grote groepen Burundische militairen was de overwinning van de Hutu onacceptabel. In oktober 1993 probeerden zij een staatsgreep te plegen. De coup mislukte maar Ndadaye vond daarbij wel de dood. De coup leidde tot moordpartijen op het platteland waarbij tienduizenden Burundiërs (zowel Hutu's als Tutsi's) omkwamen. Zijn opvolger, Cyprien Ntaryamira, eveens een Hutu, kwam om het leven toen het vliegtuig van de Rwandese president Habyarimana, met wie hij terugreisde uit Tanzania, neerstortte. Na veel aarzelen accepteerde Sylvestre Ntibantunganya in oktober 1994 het hoogste ambt van de Burundische republiek. Hij wist dat Tutsi-extremisten, ook in het leger, hem haten maar hoopte hen door een gematigde politieke koers voor zich te winnen. Door de steeds heviger wordende strijd tussen het leger en Hutu-guerrillastrijders namen de etnische tegenstellingen in Burundi echter steeds meer toe. Door de vlucht van Ntibantunganya zagen extremisten in het Burundische leger hun kans schoon en grepen gisteren de macht.

    • Bernard Bouwman