Bokspubliek wil bloed maar krijgt tranen

ATLANTA, 26 JULI. Sinds Fidel Castro in 1959 aan de macht kwam, heeft het boksen een belangrijke rol gespeeld in de relatie tussen Cuba en de Verenigde Staten. Volgens de gedachte dat sportprestaties de uitdrukking zijn van een gezonde samenleving - de Amerikanen en Erica Terpstra denken er overigens net zo over - heeft Castro ten koste van alles het sportleven gestimuleerd.

Al vanaf het begin ging Castro's liefde uit naar de rauwste aller sporten: het boksen. Het boksen was voor Fidel niet alleen een romantische metafoor, hij begreep ook dat boksen een uitstekend wapen kon zijn in de ideologische strijd tegen de Verenigde Staten. Mogelijk is het ook zijn laatste wapen, maar dat neemt niet weg dat Fidels boksers lange tijd Amerika in het hart hebben weten te raken. In de Verenigde Staten is boksen een echte volkssport. Als Mike Tyson bokst zit de hotdogventer op het schellinkje en Madonna op de eerste rij. Verschil moet er zijn, toch zitten ze allebei in dezelfde ruimte te kijken. Daar komt bij dat veel arme Amerikanen het boksen nog altijd beschouwen als het middel om fortuin te maken en hoger op te komen.

Ook het huidige olympische boksteam van de Amerikanen beantwoordt nagenoeg aan dit beeld. De zwarte zwaarweltergewicht David Reid heeft zijn jeugd doorgebracht in straatbendes van Chicago. Halfzwaargewicht Antonio Tarver, eveneens zwart, is het vierde kind van een bijstandsmoeder. Lichtweltergewicht Fernando Vargas is van arme Mexicaanse afkomst en de 24-jarige zwaargewicht Nate Jones heeft al tweemaal in de gevangenis gezeten. Zwaargewicht Davarryl Williamson, afgestudeerd aan de universiteit van Michigan, is binnen het team van twaalf boksers de enige uitzondering.

Tegen deze achtergrond moet men de Amerikaanse animositeit jegens de Cubaanse boksers begrijpen. Castro heeft openlijk gezegd dat het doel is om in alle gewichtsklassen het goud te halen. Aan het eind van de jaren zestig heeft Castro al eens geprobeerd de produktie van suiker tot recordhoogten op te stuwen, een politiek waarmee hij vooral zichzelf en zijn land knock-out sloeg, maar dit keer zou zijn megalomane droom wel eens werkelijkheid kunnen worden.

De Amerikanen houden er in ieder geval serieus rekening mee dat het echt kan gebeuren, ondanks het feit dat nog niet zolang geleden twee vooraanstaande Cubaanse boksers zijn gevlucht. Daarom hebben de Amerikanen voor de Spelen enkele harde maatregelen genomen. Tien weken lang is het boksteam van de VS in het meest Spartaanse trainingskamp opgesloten. De sleutels van de auto's moesten worden ingeleverd en de televisies werden van de kamer gehaald. Het was trainen, trainen en nog eens trainen.

Niettemin eindigde het eerste duel in het nadeel van de Amerikanen. Met een verpletterende 8-0 werd Eric Morel door de Cubaan Maiko Romero tegen het canvas geslagen. De Amerikaan bleef na afloop geschokt in zijn hoek zitten. Romero daarentegen stak zijn hand in de lucht, deed zijn cape om de schouders, vertrok en verscheen ook niet meer op de persconferentie.

Om elf uur in de ochtend zijn alle wegen naar het Alexander Memorial Coliseum, het indrukwekkende boksstadion van Atlanta, afgesloten omdat president Clinton vandaag naar het turnen komt kijken. Tweeëneenhalf uur later zijn de meeste toeschouwers nog juist op tijd om getuige te zijn van het bantamgevecht tussen de Amerikaan Zahir Raheem en de Cubaan Arnaldo Mesa.

Als Raheem de arena binnenkomt, gaat er een oorverdovend gejuich op. Het Amerikaanse publiek wil bloed zien. Daarentegen is het ijzig stil als de naam van Mesa wordt omgeroepen. Dan lopen ze op elkaar in, de eerste ronde is begonnen. Een klap die raak is, herken je onmiddellijk. Ook als niet-kenner, want het is geen cliché om te zeggen dat het klinkt als een doffe dreun. Mesa scoort al direct tweemaal, maar Raheem komt terug tot 2-1. Vijfduizend mensen schreeuwen: “USA, USA!” Dan slaat Mesa zijn tegenstander recht op zijn gezicht. Raheem gaat neer. Hij krabbelt op en tikt verdwaasd met zijn handschoen tegen zijn eigen hoofd. Hij krijgt acht tellen rust. Als die voorbij zijn, stormt hij als een wijdbeense zeeman op de Cubaan af. Die kijkt goed en raakt Raheem opnieuw op zijn kop. Raheem wankelt. De arbiter stormt toe, ondersteunt de aangeslagen bokser en houdt hem overeind. Als Raheem weer op eigen benen kan staan, buigt de arbiter voorover en kijkt hem in de ogen. De arbiter schudt zijn hoofd en steekt zijn hand omhoog. Na 2 minuten en 15 seconden is het gevecht beëindigd. De Cubaan heeft gewonnen.

Maar Raheem is het met die beslissing niet eens. Hij gaat op zijn knieën zitten en slaat met zijn handen op de grond. Hij barst in huilen uit. Vanuit zijn hoek komt Mesa op hem afgelopen om hem een hand te geven, maar de Amerikaan weigert bruusk. Het hele stadion huilt mee met zijn landgenoot. Ten slotte weten zijn helpers Raheem uit de ring te praten. Raheem steekt zijn handen in de lucht alsof hij gewonnen heeft en sprint onder een angstaanjagend boegeroep weg.

Alle journalisten rennen naar de perskamer, waar de boksers zich na afloop van de match laten ondervragen. Maar onderweg komen we de assistent-coach Jesse Ravelo tegen. Hij is woedend en staat te tieren. Hij roept dat het een schande is, dat de strijd ten onrechte voortijdig is afgebroken, dat “those Cubans” van de jury's alle punten krijgen, terwijl de Amerikanen voortdurend worden benadeeld. Omdat Amerika zo'n machtig land is, waar de hele wereld alleen maar met jaloezie naar kijkt. Overigens is Ravelo zelf van Cubaanse afkomst. Al in 1967 vluchtte hij naar de Verenigde Staten.

Raheem is niet naar de perskamer gekomen. Hij wordt getroost door zijn moeder, meldt een official. Later op de dag is er toch nog een Amerikaan die wint. Nate Jones verslaat de Engelse Afrikaan Okesola.

Jones is een misdadiger die in de gevangenis zat voor roof en geweldpleging. Hij is vrij op proef. Als hij blijft winnen, moet hij straks in het zwaargewicht de Amerikaanse eer hoog houden tegen de gevreesde Cubaan Felix Savon.