Boeiend onfatsoen; Tekeningen in de kantlijn van Louis Couperus

In de marges van zijn manuscripten was Couperus een beeldend kunstenaar, zorgvuldig en met talent. Hij maakte er kleine tekeningetjes. Hans van der Horst heeft bijna tweeduizend van deze tekeningen bij elkaar gebracht en toegelicht.

Hans van der Horst: Louis Couperus' Zijlijnen, versieringen uit zijn handschriften in breder perspectief. Uitg. Boring en Slag (oplage 600 exemplaren), 225 blz. Prijs ƒ 89,95. Verkrijgbaar bij boekhandel Athenaeum en boekhandel het Martyrium in Amsterdam.

'Amice, Mag ik je nog eens lastig vallen met een kleine vriendendienst te verzoeken?' schrijft Louis Couperus op 20 december 1903 uit Nice aan zijn uitgever L.J. Veen. 'Zend mij eens ... een doosje kroontjespennen (geloof ik, heeten ze).

Hierbij zend ik je er een in effigie. Ze zijn hier in het zeer beschaafde Nice niet te krijgen, evenmin als honderd andere dingen! Je doet er meê een weldaad aan je trouwe romancier!

Yours

L.C.'

We vinden het briefje afgedrukt in het boek Louis Couperus' Zijlijnen, versieringen uit zijn handschriften in breder perspectief van de Amsterdamse tekenaar Hans van der Horst. Op de tegenoverliggende pagina staat de door de schrijver getekende afbeelding van de verlangde pen. Aha, zo eentje! Het is de nonchalante, toch nauwkeurige krabbel van een kroontjespen uit het begin van de eeuw. Later zijn ze buikiger geworden. Het hele briefje is het miniatuur van een miniatuur-zelfportret met een vleugje tijdsbeeld. Het zeer beschaafde Nice, de Boulevard des Anglais; voor welke honderd andere dingen werd het daar toen te beschaafd gevonden? En wat een ramp: niet het goede schrijfgerei te kunnen vinden! Hoeveel voor anderen onbegrijpelijk belang hecht een auteur aan zijn materialen, hoeveel bezwering, lust, hoop, geloof en bijgeloof, of woede zijn daarin geïnvesteerd!

Een paar pagina's eerder staat dit citaat: 'Lieve Hemel, waar is de tijd, dat, om te schrijven, ik niet alleen mijn eigen kamer en schrijftafel moest bezitten, maar dat mijn papier ook van een zeker grijn moest zijn, mijn pen een goed versneden ganzeveêr (!) (ik heb het altijd heerlijk gevonden met veêren pennen te schrijven en geloof dat ze nù niet eens meer bestaan), dat mijn inkt van een zeer bepaalde kwaliteit en kleur was en het licht neêr viel gezeefd door een bepaalde kleur van eerst linnen en later tussore gordijn.'

Het is de vraag of het schrijven als het niets anders doen dan reeksen woorden tot zinnen bouwen en zinnen tot hoofdstukken en boeken, wel bestaat. Zijn er auteurs die meteen een vel in de machine draaien, of nu, hun computer aanzetten en erop los gaan? De handschriften van Flaubert zijn onmiddellijk herkenbaar aan hun lay-out. Van Flaubert kun je een pagina inlijsten en als grafiek aan de muur hangen. Ieder vel dat Leonardo da Vinci heeft beschreven en betekend, prikkelt van veraf al dusdanig de nieuwsgierigheid dat het voor spionnen onweerstaanbaar moet zijn geweest. Je hebt auteurs die hun manuscripten illusteren, niet met de bedoeling dat de 'plaatjes' in het boek zullen worden opgenomen, en evenmin om het werk mooier te maken, maar om voor zichzelf de gedane arbeid te voltooien. Wat is af? Dat weet alleen de schrijver zelf. In de marges van zijn manuscripten was Couperus een beeldende kunstenaar, zorgvuldig en met talent.

Het boek van Hans van der Horst, die eerder het helaas niet in de handel verschenen boek Met Louis Couperus naar Indië in zeer beperkte oplage uitgaf (waarin hij vastlegde wat Couperus op een reis naar Indië moet hebben gezien), is in dit opzicht meer dan een aanvullend portret, omdat het laat zien dat Couperus in de marge van zijn schrijverschap een elegant tekenaar was. Uit de bijna 2000 afbeeldingen die hier bij elkaar zijn gebracht en zorgvuldig toegelicht, komt Couperus tevoorschijn als iemand die de lijn, het 'handschrift van de tekenaar' in zich had. Het ornament (dat hem zeer interesseerde), variaties op paragrafen, portretjes, piramides, vleugels, vogels, het bandontwerp voor Extaze, alles is er, maar niet simpelweg als een kwantitatieve verzameling. Van der Horst heeft iedere fase in het tekenen en iedere categorie toegelicht, vaak met citaten van de auteur en met beschrijving van de omstandigheden waarin dat alles tot stand is gekomen. Op deze manier is er een merkwaardige biografie ontstaan: erudiet, vaak anekdotisch, terwijl de rode draad in leven en werk behouden blijft.

Behalve de verzameling tekeningen is er een fraaie reeks portretten. Een voorbeeld. Een foto uit 1916 toont hem in een pose van de tijd, onberispelijk pak, pochet, staand met een opengeslagen boek. Dit is zijn toelichting: 'Verheldert zich de zieleatmosfeer, dan wipt de zakdoek tevoorschijn. (-) Is er echter blijdschap en azuur in dezelve, dan fladdert, vroolijke slip, langere wimpel de lucht in...' En dan over zijn stropdas: 'De effen das, en die bijna in àlle tinten, is de das voor wie elegant is en stemming-wisselend.'

Het lezen en bekijken van dit boek heeft tot effect dat men in Couperus raakt. Zoals Van der Horst schrijft: hij heeft er altijd voor gewaakt dat dit hem bij zijn leven zou overkomen, en daarna kon het natuurlijk zijn zorg niet meer zijn. Met zijn vrouw samen heeft hij alles verscheurd wat kon dienen als materiaal voor 'roddelpraatjes over boeiend onfatsoen en speciale afwijkingen.' Onwillekeurig denk je aan de door de AVRO georganiseerde fietstochtjes langs de huizen van onze Gooise beroemdheden. Zo'n glurende optocht zou een bezoek uit de hel voor hem zijn geweest. Niettemin, van sommige schrijvers willen sommige mensen alles weten, niet uit gluurlust maar omdat ze niet genoeg van hun geest en alles wat daarmee samenhangt kunnen krijgen.