Beoogde mislukking?

Begin september 1994 werd in het Haagse Instituut Clingendael een tweedaags colloquium gehouden over het Duitse verzet tegen Hitler. Het was iets meer dan vijftig jaar tevoren, 20 juli 1944, dat Hitler maar net ontkomen was aan een aanslag op zijn leven, gepleegd door de officier Claus von Stauffenberg.

Tientallen samenzweerders werden daarna opgepakt en terechtgesteld - een elite die het naoorlogse Duitsland zou moeten missen.

Onder de Duitse deelnemers aan dat colloquium waren ten minste één overlevende, Ludwig von Hammerstein (sindsdien overleden), de weduwe van een andere samenzweerder, Adam von Trott zu Solz (die met het Nederlandse verzet contact had gehad), de historicus Hans Mommsen, Joachim Fest, auteur van het standaardwerk Staatsstreich: der lange Weg zum 20. Juli, en een aantal anderen die, hetzij direct hetzij zijdelings, bij de samenzwering betrokken waren geweest.

In vergelijking met dit kaliber viel de Nederlandse deelneming, uitzonderingen daargelaten, enigszins tegen - al kon zij bogen op de aanwezigheid van één iemand die Von Trott in de oorlogsjaren meermalen had ontmoet: dr. C.L. Patijn. De belangstelling aan Nederlandse kant viel ook kwantitatief tegen. Op de laatste dag vond het uit Duitsers bestaande forum een vrijwel lege zaal tegenover zich.

Eén ding is mij van dit colloquium vooral in herinnering gebleven. Joachim Fest eindigde zijn inleiding met een verzetsman aan te halen die daags na de aanslag had gezegd: “Ik geloof dat het goed is dat het gedaan is. En misschien ook wel goed dat het mislukt is.”

Waarom goed dat het mislukt is? Omdat, als Hitler bij die aanslag wèl zou zijn omgekomen en Duitsland spoedig had moeten capituleren, er licht, zoals na 1918, een dolkstootlegende zou zijn ontstaan: Duitsland zou niet aan de fronten zijn verslagen, maar als gevolg van een aanval in de rug. Zaad voor een nieuw nationalisme en een nieuwe revanchegedachte.

Tijdens de forumdiscussie op de laatste dag vroeg één der Nederlandse deelnemers of het forum deze mening deelde. Ten minste twee, onder wie Hammerstein, verzetten zich ertegen met het argument dat, als de aanslag zou zijn geslaagd en de oorlog in Europa in de zomer van 1944 zou zijn beëindigd, er miljoenen levens zouden zijn gespaard, zowel aan de fronten als in de kampen.

Joachim Fests mening bleek uit het commentaar dat hij gaf op de zojuist geciteerde uitspraak: “Dit zou wel eens het verstandigste woord kunnen zijn dat gezegd werd over de aanslag en het verzet.” Trouwens, in zijn boek had hij al opgemerkt dat de aanslag “vooral een symbolische daad” was geweest.

Ik werd aan die discussie herinnerd toen ik in Die Zeit van 19 juli las dat er onlangs een boek is uitgekomen, dat de stelling verdedigt dat Stauffenberg de aanslag met opzet heeft laten mislukken, juist om te voorkomen dat er een nieuwe dolkstootlegende zou ontstaan (20. Juli 1944 - Das 'gescheiterte' Attentat: Untersuchung eines geplanten Fehlschlags door Dietrich Schmidt-Hackenberg. Frieling Verlag, Berlijn, 17,80 DM).

Het zou te ver voeren alle argumenten voor deze these hier op te noemen. Ik zou het trouwens dan uit de tweede hand moeten doen, want het boek zelf heb ik niet gelezen. Waarop het neerkomt is dat Stauffenberg die een aparte opleiding had gevolgd in het omgaan met explosieven, zeker niet de kardinale fouten zou hebben gemaakt die er gemaakt zijn, als hij de aanslag had willen laten lukken.

De schrijver, die door de recensent van Die Zeit volstrekt serieus genomen wordt, vermeldt (wat bekend was) dat er onder de samenzweerders meningsverschillen bestonden over de voor- en nadelen van een aanslag. Niet zozeer over de moraliteit als wel over het nut ervan.

Zo was het hun toen al bekend dat een gelukte aanslag geen enkel verschil zou maken in de houding van de geallieerden, die stonden op Duitslands onvoorwaardelijke overgave en trouwens niets met de samenzweerders - van wier bestaan zij op de hoogte waren, onder anderen door de Nederlander dr. W.A. Visser 't Hooft te Genève - te maken wilden hebben.

Maar ook de vrees voor een nieuwe dolkstootlegende speelde bij sommigen hunner een rol. Anderen daarentegen pleitten voor de aanslag koste wat het kost: hoe de afloop ook zou zijn, de aanslagplegers zouden de wereld althans hebben getoond dat er nog fatsoenlijke Duitsers waren - of waren geweest. Dat was de stelling van generaal-majoor Henning von Tresckow, die uit de mislukking dan ook de consequentie van zelfmoord trok.

Het is dus mogelijk dat Stauffenberg, die zeker van alle voors en tegens op de hoogte was, een synthese van alle argumenten heeft gemaakt en de aanslag heeft gepleegd om hem te laten mislukken. Op die manier zou althans nog iets van Duitslands eer gered worden en een nieuwe dolkstootlegende geen kans maken.

Toch pleit er iets tegen deze hypothese: als Stauffenberg de aanslag had willen laten mislukken, waarom is hij dan, na de bom geplaatst te hebben (op een plaats vanwaar zij geen maximaal effect zou hebben), naar Berlijn gevlogen om zich daar bij de leiders van de staatsgreep te voegen? Zou hij dan niet verkozen hebben mèt zijn bom in de lucht te vliegen, zoals eerdere aanslagplegers, de officieren Von dem Bussche en Von Gersdorff, zouden hebben gedaan, ware het niet dat bij beide gelegenheden Hitler op het laatste ogenblik zijn plannen veranderde en de aanslagen mislukten?

Hoe dit ook zij - we zullen het wel nooit weten. Met de meeste samenzweerders is deze wetenschap het graf in gegaan. Wat rest is hun heldendaad - wat hun ook precies voor ogen moge hebben gestaan - èn de vraag, die ook wel nooit beantwoord zal kunnen worden, wat zwaarder weegt: de miljoenen levens die nog tussen juli 1944 en mei 1945 verloren zijn gegaan of de voorkoming van een nieuw Duits nationalisme en revanchisme?

PS. De inleidingen die op het colloquium zijn gehouden, zijn gebundeld in Eenlastige erfenis: de rol en betekenis van het Duitse verzet tegen Hitler, een uitgave van het Instituut Clingendael (24,50 gulden). Een recent boek over hetzelfde onderwerp is De oorlog achter de oorlog: christenen onder Hitler in Duitsland en Nederland door Marie van Beinum en Bart Jan Spruyt (uitg. Kok, Kampen, 34,90 gulden).

    • J.L. Heldring