Auto minister in vakantie duurder

DEN HAAG, 26 JULI. Een minister die met zijn dienstauto op vakantie gaat moet bij de aangifte inkomstenbelasting over dit jaar 24 procent van de cataloguswaarde van de auto opgeven als loon in natura. Over dat bedrag zijn de bewindslieden 60 procent belasting verschuldigd. Bij een auto van een ton komt dat neer op ruim 14.000 gulden.

Voor overige reizen met de dienstauto, met of zonder chauffeur, hoeft de bewindspersoon niets op te geven. Dit in tegenstelling tot een ondernemer die regelmatig per luxe dienstauto met chauffeur zijn werkmaatschappijen bezoekt.

Het gerechtshof in Arnhem rechtvaardigt dit verschil in behandeling in een arrest met verwijzing naar de status van de betrokkenen. Zowel de minister als de ondernemer heeft een auto met chauffeur nodig, maar het “algemeen belang” noodzaakt kabinetsleden gebruik te maken van dienstauto's. Die keuze berust niet op een “persoonlijke voorkeur”, aldus het hof. Voor de topmanager gaat dat in mindere mate op, stelt het gerechtshof.

Met het arrest van het hof is een oordeel geveld over de toepassing van het gelijkheidsbeginsel: de topmanager heeft minder rechten dan een minister of staatssecretaris. De ondernemer voerde tevergeefs aan dat zijn dienstauto niet privé kon worden benut omdat zijn chauffeur die 's avonds mee naar huis nam.

Het verschil in behandeling tussen ondernemer en bewindspersoon is door een voorganger van staatssecretaris Vermeend (Financiën) al eens vastgelegd.

Toen was de rechtvaardiging van het 'algemeen belang' gespecificeerd. “Mede ter wille van een goede bereikbaarheid en verhoging van de veiligheid” van de bewindspersoon stond de dienstauto hen belastingvrij ter beschikking.