ZOMER 1930

Al in de zeventiende eeuw stond het Nederlandse volk bekend als zeer huiselijk. De eerste huizen op wielen sloegen dan ook meteen aan. Een caravan was in begin jaren twintig alleen weggelegd voor de zeer rijken: hij kostte drieduizend gulden, evenveel als een klein huis. Voor de caravan moest een dure auto staan, die groot genoeg was om de loodzware last te trekken.

Tot 1930 genoten alleen handels- en kantoorbedienden een officiële vakantie. Die duurde veertien dagen per jaar. Arbeiders logeerden bij familie aan de kust in hun schaarse vrije tijd. Twee of drie dagen vrij per jaar was voor hen niet ongewoon. Met de invoering van de bouwvakvakantie van twee weken in de jaren dertig werd de caravan zinkend cultuurgoed. Nu heeft Nederland de grootste caravandichtheid van Europa. Een op de tien huishoudens bezit een caravan. (Foto Spaarnestad fotoarchief)