Vorstelijke draaimolens

Terugkerend uit Jeruzalem, waar hij het Heilige Graf had vereerd, besloot Karel de Grote een bezoek te brengen aan Byzantium. In gezelschap van zijn paladijnen besteeg hij de marmeren trappen van het paleis aan de Bosporus. Een weidse zaal, waar ontelbare ridders in kostbare gewaden zich vermaakten met spelen als schaak en triktrak, lag voor hen.

De zaal was van een haast onvoorstelbare luxe. Het meubilair bestond uit puur goud. De wanden, afgezet met banden van azuur, waren beschilderd met taferelen uit de natuur: viervoetige en kruipende dieren en vogels van allerlei pluimage. Het schitterende gewelf werd gedragen door een centrale, met zilver ingelegde kolom, omringd door honderd zuilen met inlegwerk van goud. Voor elk paar zuilen stonden twee koperen beelden van kinderen met een hoorn aan de mond.

Nauwelijks had Karel uiting gegeven aan zijn bewondering of hij hoorde hoe beneden aan de haven een krachtige zeewind opstak. Een ogenblik later bereikte de eerste windvlaag het paleis. Tot zijn ontzetting zag hij hoe de paleiszaal door de zijdelingse druk van de wind in een regelmatige draaiende beweging werd gebracht. De koperen hoornblazers bliezen vrolijk op hun instrumenten en lachten elkaar toe alsof ze leefden. De wind zwol aan tot een storm; hagel en sneeuw sloegen tegen de kristallen ruiten. Zachtjes trillend draaide de zaal steeds sneller rond; van het noodweer buiten was binnen niets te merken. De draaiing werd zo snel dat Karel op de marmeren vloer moest gaan zitten. Ook zijn paladijnen konden zich niet staande houden; zij werden her en der op de grond geworpen, ruggelings of voorover. Zij bedekten zich het hoofd en riepen elkaar toe: “Wat een toestand! De deuren staan open, maar toch kunnen we er niet uit!”

Wat ik hier heb samengevat, is een scène uit het Oudfranse dichtwerk dat meestal Le pèlerinage de Charlemagne wordt genoemd. In de context van dit wonderlijke verhaal is de functie van deze scène, te laten zien hoe Charlemagne en zijn paladijnen geïmponeerd worden door de ongelofelijke macht en rijkdom van Karels rivaal, koning Hugo van Konstantinopel. Het slot van het gedicht zal aantonen dat zelfs deze machtige vorst het hoofd moet buigen voor de keizer uit het Westen - God is in dit type gedichten nu eenmaal altijd op de hand van de Fransen.

In de twaalfde- en dertiende-eeuwse vertelkunst - de Pèlerinage wordt meestal vóór 1175 gedateerd - zijn draaiende zalen, kastelen of paleizen geen zeldzaamheid. Ik noem hier slechts twee voorbeelden. Een wonderbaarlijk paleis in De reis van Sint Brandaan, een Middelnederlands gedicht waarvan de oudste versie vermoedelijk rond 1150 is gedicht, heeft een zaal waarvan de wanden versierd zijn met een bewegend reliëf dat de hele dierenwereld uitbeeldt. Uit de overgeleverde teksten valt op te maken dat het reliëf door waterkracht in een draaiende beweging wordt gebracht. In de Arturroman La mule sans frein, waarschijnlijk van rond 1200, komt Gauvain (Walewein) voor een kasteel te staan waarvan de buitenmuur razendsnel rond de binnenmuur draait. Alleen als de poortopeningen in beide muren een oogwenk in elkaars verlengde liggen, is een doortocht mogelijk. Gauvain stort zich in volle galop door het gat, dat zich zo snel weer achter hem sluit dat zijn paard er de helft van zijn staart bij inschiet.

Deze twaalfde-eeuwse fantasieën over draaiende architectuur moet zonder twijfel in verband worden gebracht met de toen hoogst moderne technologie van de windmolen. De wortels van het motief liggen echter veel dieper. Oorspronkelijk gaat het om de troonzaal van een vorst die zich als kosmokrator, als wereldheerser, beschouwde. Boven zijn hoofd welfde zich een koepel waarop de sterren en planeten waren afgebeeld waarvan hij de loop bepaalde, terwijl de voorstelling van het dierenrijk op de wanden van de zaal zijn heerschappij over de ondermaanse wereld symboliseerde. De ronde eetzaal in het Gouden Huis dat keizer Nero in Rome liet bouwen, wentelde volgens Suetonius dag en nacht rond, vice mundi, zoals het heelal. Waarschijnlijk diende hier water, aangevoerd uit de bergen, als energiebron. Door middel van buizen in de zoldering kon de vergoddelijkte keizer als hem dat behaagde een geparfumeerde regen op zijn gasten laten neerdalen. Ook de Perzische vorst Chosrau II (590-628) troonde volgens een in de Middeleeuwen wijd verspreide legende onder een draaiend gewelf, dat zijn heerschappij over de kosmos uitbeeldde. Deze Sassanidische troonzaal werd in beweging gebracht door een gespan in de kelder verborgen trekpaarden. In dit opzicht wijst de science fiction van de Pèlerinage ver vooruit: niet alleen in de twaalfde, maar opnieuw in de twintigste eeuw lijkt wind de energiebron van de toekomst.

Zie over draaiende zalen: L. Okken: Das Goldene Haus und die Goldene Laube. Wie die Poesie ihren Herren das Paradies einrichtete (Amsterdam: Rodopi, 1987)

    • W.P. Gerritsen