Uitvinders 4

Het gaat bij mij vooral om het verbeteren van eigen producten en werkwijze. Je bent als ondernemer geen uitvinder in het algemeen: je wordt gedwongen te vernieuwen.'' Willemine Looijen-Van der Woerd (73) leidde veertig jaar een fabriek en woont sinds twee jaar in een luxe-appartement in het hartje van Barneveld.

De kleine vrouw met kort, grijs krullend haar is verantwoordelijk voor acht patenten, voornamelijk voor kettingkasten en jasbeschermers. Op een klein dressoir in de huiskamer staat een foto van haar moeder die een verzetsmedaille krijgt van een jonge prins Bernhard in uniform. De medaille zelf hangt over de hoek van de zilveren lijst gedrapeerd: “Mijn vader is heel jong overleden, ik heb hem nooit gekend. Hij had een fabriekje in rijwielonderdelen en maakte nog leren kettingkasten. Na zijn dood leidde mijn moeder de fabriek, ze was toen negenentwintig. Ze had één doel: de zaak in stand houden voor mijn broer. Het bedrijfsleven, en zeker de rijwielbranche, was toen nog helemaal een mannenwereld.”

Willemine was na haar moeder ruim veertig jaar directeur van De Woerd: “Omdat ik eigenaresse was had ik het voordeel dat ik met mijn vijfenzestigste niet patsboem weg hoefde. Nu wordt de fabriek geleid door mijn dochter Hanneke, met naast zich een directeur voor de verkoop. Ik doe nog steeds wat met octrooien, zoals aanvragen, betaling, verlenging en met de bescherming, het vastleggen van merken en modellen.”

Ze vertelt dat alle achttien octrooien van De Woerd op haar naam staan, maar niet door haarzelf ontwikkeld zijn: “Een stuk of acht komen voort uit een idee van mij, maar omdat ik niet zo goed overweg kon met machines, zei ik tegen een van de technische mensen: 'wil jij dit zus en zo verder uitwerken'.”

Het eerste patent betrof de Haak-In, een beugel waarmee de kettingkast eenvoudig aan een fiets bevestigd kon worden. Later volgde onder andere een 'geblazen' kettingkast. Willemine: “Kettingkasten bestaan uit vrijwel identieke delen, die je op elkaar zet. Ik wilde een kunststof kettingkast in een matrijs opblazen, die je later in de lengterichting doorzaagt, zodat je twee delen hebt. Die monteer je vervolgens met een paar toevoegsels op de fiets. Dat patent loopt nog, maar we hebben het nog niet toegepast. De W-kast leidde tot een goed product. Er zijn miljoenen exemplaren geproduceerd en hij wordt nu nog gemaakt, evenals een hoeksteun.

Een 'te goed gelukte' innovatie was de Pavo, een opengewerkte jasbeschermer van kunststof die uit één stuk gegoten werd: “We zijn er veel mee in het nieuws geweest, maar men vond hem niet mooi en hij was onverwoestbaar. De handel wil toch wel graag dat iets na tien, twaalf jaar vervangen moet worden.” Momenteel wordt een jasbeschermer geproduceerd waarvoor zij de basis legde: “De Butterfly 1, die ik bedacht, is nooit wat geworden, maar wel zijn opvolger die uit twee losse, transparante vleugels bestaat. Ik gaf mijn dochter schetsjes en zei: 'ga ermee naar industriële vormgevers'. Die hebben er een leuke jasbeschermer van gemaakt, die dit jaar de Gelderse innovatieprijs heeft gekregen.”

Haar creativiteit beperkt zich niet alleen tot de fabriek: “Ik heb lange tijd een boekje gehad waarin ik allerlei problemen noteerde, waarvan ik dacht: daar moet ik een oplossing voor bedenken, zoals klosjes garen waar altijd losse draadjes aan hingen. Later is dat opgelost. Als ik op reis was, kwam ik langs huizen en zag ik kranten voor de ramen over planten heen liggen tegen de zon. Dat vond ik erg lelijk. Als mijn hulp dat deed, zei ik: 'Gooi die rommel weg. Ik heb nog liever dat die planten doodgaan'.” In een map met schetsjes bevindt zich een foldertje voor een klein zonnescherm, dat uit te breiden is met meerdere elementen: het Lommertje: “We konden de machines gebruiken waarmee ook de Pavo jasbeschermers werden gegoten. In 1970 kregen we zowel voor de Pavo als voor het Lommertje een medaille op de uitvindersbeurs in Brussel. Maar het Lommertje werd meteen goedkoop nagemaakt, tot in Italië en Hong Kong, zelfs de naam werd gebruikt. We hadden het nadeel dat we er geen goed verkoopapparaat voor hadden. Ik ging vaak samen met onze technische man naar de Octrooiraad in Rijswijk in de bibliotheek om te kijken wat er allemaal al was op een bepaald gebied. Daarna gingen we wat eten bij de Bijenkorf.” Zo bedacht ze ook een washandjeshouder; muurplankjes van kunststof die in elkaar passen, met staafjes waar je washandjes aan kan hangen. Maar haar octrooigemachtigde gaf haar het advies er geen octrooi voor aan te vragen; het was te simpel.

Over haar jeugd: “Ik wilde een jongen zijn. Ik klom met mijn broer in bomen, ik tekende en had altijd in een etuitje gereedschap bij me: een schaartje, een mesje, een pleister, een potlood en een veiligheidsspeld. Als het slecht weer was, mochten we in de fabriek spelen, maar niet op alle afdelingen. Ik kwam een keer met mijn arm in een machine. Mijn hele bovenarm was verbrijzeld.” Na de oorlog kwam haar broer in de zaak: “Maar hij was een natuurmens en wilde emigreren naar Canada, wat hij ook heeft gedaan. Ik wilde wel in de zaak. Mijn moeder zei uiteindelijk: 'Goed. Ik zal je er goed voor betalen, maar als je broer nog terug wil komen, heeft hij de eerste rechten.' In de hal van haar appartement hangt een grote kleurenfoto van het prachtige landhuis met rieten dak, dat naast de fabriek staat. Met enige weemoed zegt ze: “Daar woont mijn dochter nu, dat is beter, dan woont ze bij de zaak.”

Een week later ontmoet ik haar in de fabriek, die even buiten Barneveld staat. Naast het landhuis van de foto staan een rechthoekig bedrijfsgebouw uit de jaren zeventig en oudere bijgebouwen. We praten in haar vroegere directiekamer, waar nu de tweede directeur zetelt. Op een kast staat een verzameling plastic woerden en zijzelf draagt een gouden speldje: een vliegende woerd. Op een bureau heeft ze kettingkasten klaargelegd om te tonen, zelfs een oude leren kast en twee exemplaren van de washandhouder. Ze toont een stuk ijzer dat in rondingen gebogen is. Even later komt er een oudere werknemer in blauwe stofjas binnen die toont hoe de kettingkast aan het frame vastgeklemd werd met deze beugelveer, die zij heeft bedacht.

We lopen de fabriek in. Willemine: “Toen mijn moeder het bedrijf leidde waren er zestig werknemers, toen ging alles nog met de hand. Tijdens de oliecrisis gingen er 4.000 kettingkasten per dag de deur uit, omdat iedereen ging fietsen en er stonden honderd werknemers op de loonlijst. Nu is dat door de automatisering teruggelopen tot vijfenveertig.”

Dat is zichtbaar in de kantine, die nu te groot is en deels als showroom dienst doet. We lopen door allerlei hallen, langs een machine waarmee het binnenwerk van kettingkasten gebogen wordt en doorzichtige jasbeschermers worden op een andere machine verwarmt, waarna op een mal sier-reliëfs diepgetrokken worden. Op de ontwikkelingsafdeling staat een tekentafel en hangen aan spijkers kettingkasten voor merken als Batavus, Gazelle, Union, Peugeot en Raleigh: “We werken voor praktisch alle Westeuropese fietsfabrieken.”

In een brandwerende ruimte met dikke muren staan matrijzen; metalen blokken, die uit meerdere lagen bestaan en als geheel in machines geplaatst kunnen worden. In het midden van de grote hal pakken meisjes kettingkasten in dozen en twee vrouwen brengen met een zeefdrukmachine sierstrepen aan op kettingschermen. Willemine pakt een lakdoek-kettingkast: “Vroeger naaiden we deze bevestigingslapjes op het lakdoek. Ik kwam op het idee ze er met hoogfrequente lasmachines op te lassen.”

Dochter Hanneke Van Wingen over haar moeder: “Ze is een vrouw met een onbegrensde hoeveelheid energie, altijd op zoek naar iets nieuws. Vroeger heb ik haar weleens gemist, dan zag ik dat vriendinnen thuis gezellig met hun moeder thee dronken. Maar nu ben ik op dezelfde manier bezig en zegt mijn oudste dochtertje op haar beurt weleens dat ze me mist.”

    • Lex Veldhoen