Sinn Fein: met Major geen vrede

LONDEN, 25 JULI. “Het vredesproces is dood”, zegt hij zonder drama, als de patholoog-anatoom die zojuist een autopsie verricht heeft. In het gebouw van een studentenbond in Londen rouwt Martin McGuinness, tweede man van Sinn Fein, de politieke vleugel van het verboden Ierse republikeinse leger, in stilte “om de beste kans op vrede sinds eindjaren zestig.

“Een eenmalige mogelijkheid”, die volgens McGuinness om zeep is geholpen “door de dubbelhartigheid en politieke lafheid van de regering-Major” en door Unionisten “die elke verandering blokkeren, die niet eens bereid zijn om te praten over verandering”.

McGuinness spreekt de buitenlandse pers toe voordat hij naar Westminster vertrekt om achter gesloten deuren met anonieme parlementariërs van de grootste partijen te overleggen over het verscheiden vredesproces. Hij zegt dat het vredesproces opnieuw tot leven gewekt moet worden, en dat de fouten van het eerste vredesproces vermeden moeten worden. Een nieuw vredesinitiatief dat door de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en Ierland wordt gedragen, zou geen enkele partij van besprekingen uit mogen sluiten, geen blokkades mogen opwerpen, geen onderwerpen taboe mogen verklaren, en zou aan een stricte tijdsplanning gebonden moeten zijn. Maar McGuinness is weinig optimisch. Hij betwijfelt of zich opnieuw “het unieke samenstel van omstandigheden zal voordoen” dat bijna twee jaar geleden leidde tot een staakt-het-vuren van de IRA. “Niet onder deze regering. Niet met Major aan het hoofd.”

Vanaf het begin van het gewapend conflict in Noord-Ierland heeft McGuinness die reuzenslalom tussen hoop en wanhoop van zeer nabij gevolgd. Al een kwart eeuw is hij een van de hoofdrolspelers. Achtentwintig jaar geleden, als 18-jarige slagersknecht, hoorde hij hoe in zijn woonplaats Derry een katholieke burgerrechtenmars in een protestantse wijk door protestantse politiemannen uit elkaar werd geslagen. In 1969 stond hij als straatvechter vooraan toen een optocht van de protestantse Apprentice Boys in 'de Slag om de Bogside' culmineerde, formeel het begin van de 'Troubles' omdat de politie voor het eerst de hulp van het Britse leger in moest roepen. Sindsdien staat hij te boek als werkeloos en wijdt hij zich volledig aan de strijd voor gelijkheid en het ideaal van een verenigde Ierse republiek.

Volgens de Britse geheime dienst is McGuinness sinds 1971 lid van het verboden Ierse republikeinse leger. Ierse rechters veroordeelden hem twee keer voor het lidmaatschap van een terreurorganisatie. Als chefstaf van de IRA tussen 1978 en 1982 was hij verantwoordelijk voor een groot aantal bomaanslagen en de moord op Lord Mountbatten. Binnen de republikeinse beweging geldt hij nog steeds als held en symbool van de gewapende strijd, ook al heeft hij zijn werkterrein de laatste tien jaar verlegd naar de politiek.

Gevangen in zijn maatpak, schuddend met zijn weerbarstige krullen, beschuldigt McGuinness de Britse regering van kwade trouw. Ze heeft inhoudelijke besprekingen beloofd over een politieke regeling voor Noord-Ierland, waarbij alle betrokken partijen een gelijke behandeling zouden krijgen. Dat was de reden waarom Sinn Fein bij de IRA voor een staakt-het-vuren heeft gepleit. Maar nadat de wapens eind augustus 1994 waren neergelegd, is van een dergelijk dialoog nooit iets terecht gekomen. Volgens McGuinness wierp de Britse regering telkens nieuwe blokkades op om Sinn Fein bij het vredesoverleg te weren. Vooral door al in het beginstadium een oneigenlijke nadruk op ontwapening van de terreurorganisaties te leggen. “Daarmee eisten ze de onvoorwaardelijke overgave van de IRA.”

McGuinness zegt dat de IRA er na anderhalf jaar zonder besprekingen genoeg van had om aan het lijntje gehouden te worden. Daarom heeft de organisatie begin febrauri met een bomaanslag in de Londense Docklands haar militaire campagne hervat. Maar McGuinness weet ook wel dat een politieke regeling in Noord-Ierland zonder een staakt-het-vuren van de IRA en zonder ontmanteling van wapens ondenkbaar is. Hij vindt dat zo'n ontwapening er ook moet komen, maar dan als integraal onderdeel van een vredesovereenkomst, niet eenzijdig en niet vooraf. Ook de andere militaire groepen in de Noordierse samenleving zouden aan zo'n ontwapening moeten meedoen.

“De gebeurtenissen van de afgelopen weken hebben laten zien dat de Britten in Noord-Ierland met twee maten meten”, zegt McGuinness, “en dat van gelijke behandeling van nationalisten en unionisten nog steeds geen sprake is. Onder druk van geweld hebben ze een unionistische Oranje-orde door een nationalistische wijk laten trekken. Dat is hetzelfde als wanneer je de Klu Klux Klan dwars door Harlem laat marcheren. Ze hebben toegestaan dat katholieke scholen en godshuizen in brand werden gestoken en dat katholieke gezinnen werden verjaagd uit hun huizen. Pas op het moment dat de verontwaardigde nationalistische gemeenschap zich verzette, kwam de politie in actie. Negentig procent van de 6.000 plastic kogels die de politie de afgelopen weken afschoot, waren op nationalisten gericht.”

McGuinness schudt zijn vermoeide hoofd dat door een kwart eeuw van strijd is getekend. Hij kan het niet bevatten. David Trimble, voorman van de Ulster Unionist Party, “leider van een georganiseerde unionistische revolte die in Noord-Ierland tot een geweldsgolf geleid heeft', is nog steeds welkom bij “de zogenaamde vredesonderhandelingen”. Deze week nog heeft premier Major de leiders van twee unionistische splintergroeperingen in Downing Street verwelkomd, gelieerd aan protestantse paramilitairen die voor de moord twee weken geleden op een katholieke taxichauffeur zijn gearresteerd. Maar al vijf maanden lang weigert de Britse regering met Sinn Fein te praten. De partij die bij de Noordierse verkiezingen twee maanden geleden ruim veertig procent van de nationalistische stemmen verwierf. “Terwijl overleg zonder Sinn Fein nooit kan leiden tot een vredesregeling.”

    • Dick Wittenberg