Privaat ABP zoekt komende vier jaar rendement voor 50 miljard

Het ambtenarenpensioenfonds ABP moet zich de komende vijf jaar bewijzen als een private instelling. Een nieuw beleggingsbeleid moet extra rendement opleveren om de pensioenen van anderhalf miljoen ambtenaren te kunnen blijven betalen. Een gesprek met topbelegger Frijns over de macht van het ABP in de Nederlandse economie en het bedrijfsleven. “Onze rol als belegger is groter dan ooit.”

Op zijn visitekaartje ontbreekt het extra cijfer dat de omnummeraars van de PTT bijna een jaar geleden invoerden. “Zo zuinig ben ik”, zegt directeur beleggingen dr. J. Frijns van het ambtenarenpensioenfonds ABP dat met een belegd vermogen van meer dan 200 miljard gulden het op een na grootste pensioenfonds ter wereld is. Meer dan anderhalf miljoen Nederlanders zijn voor hun pensioenvoorziening afhankelijk van het ABP en de prestaties van de beleggingsexperts van Frijns. “Ik heb een duidelijke taak: een goed rendement en het vermogen van het fonds veiligstellen.”

Meer dan ooit tevoren zijn de rendementen die het ABP maakt op zijn miljardenbeleggingen cruciaal, niet alleen voor de toekomstige pensioengerechtigden, maar ook voor het fonds zelf. Het ABP is per 1 januari geprivatiseerd en heeft vijf jaar de tijd om zich te bewijzen. Na 2001 kunnen de acht ambtelijke sectoren waarvoor het fonds nu werkt, zelf beslissen of zij verder willen met het ABP of dat zij een eigen pensioenfonds willen oprichten dat meer aan hun wensen van rendement en service voldoet.

Een vertrouwelijk onderzoek dat het ABP-bestuur vorig jaar hield wees uit dat een op de zes werknemers 'twijfelt of zij bij het ABP willen blijven na 2001', vertelde directievoorzitter drs. J. Neervens zijn 3300 medewerkers op de nieuwjaarsbijeenkomst in januari. Om de klanten binnen te houden moet het ABP in hoog tempo een servicegerichte organisatie opbouwen, met een breder pakket van financiële diensten, waaronder een inmiddels gestarte verzekeringsdochter. Enkele maanden geleden heeft het fonds drs. J. Maassen, een voormalige directeur van het Shell Pensioenfonds, een van de toonzettende Nederlandse ondernemingspensioenfondsen, aangetrokken ter versterking van de directietop.

De nieuwe private status heeft het ABP per 1 januari bevrijd van alle restricties die het fonds in de keuze van zijn beleggingen had. De beleggingsvoorschriften stimuleerden investeringen in de schuld van de Nederlandse overheid, die mede door deze 'gedwongen winkelnering' haar omvangrijke financieringstekorten kon handhaven. Sinds januari verlegt het ABP in hoog tempo de stroom van zijn investeringen van overheidsschuld naar aandelen, buitenlandse beleggingen en vastgoed. Het ABP nam al aandelenbelangen van zo'n zes procent in Ahold en Nutricia. De eerste zes maanden van dit jaar heeft het fonds voor het eerst ook geld gestoken in aparte fondsen die weer investeren in veelbelovende bedrijven, zogeheten participatiemaatschappijen.

Door deze verlegging van de kapitaalstromen wordt de positie van het ABP in het hart van de Nederlandse economie nog invloedrijker. Het ABP is van oudsher de grootste belegger in Nederlandse staatsschuld, en zal, als de aandelenbeleggingen in dit tempo doorgroeien, op afzienbare termijn ook ING inhalen als de grootste investeerder in Nederlandse ondernemingen. Verder is ABP een van de grootste eigenaren van vastgoed, met 63.000 woningen en een kantoren- en winkelportefeuille ter waarde van bijna drie miljard gulden, waaronder het winkelcentrum Hoog Catherijne en de World Trade Centers in Amsterdam en op Schiphol.

Als directeur beleggingen lijkt Frijns de wisselwachter van de Nederlandse economie te worden. Hij beslist welke investeringen het waard zijn om kapitaal te krijgen en dus uitgevoerd kunnen worden en welke niet. Frijns zelf vindt dat een vertekenend beeld. “Mijn optiek als belegger is geen achterkamertjespolitiek. Beleggers hebben een voorliefde voor transparante markten, met veel vragers en aanbieders van kapitaal en bemiddelaars. In dergelijke markten werken, dat doe ik het liefst. Achterkamertjesoverleg, daar gruwen beleggers van. Binnen de vastgestelde grenzen voor het risico dat wij willen lopen, mik ik op een optimaal, nee, op het hoogst mogelijke rendement.”

Frijns (48) geldt wegens de omvang van het ABP en zijn intellectuele bagage (ex-Centraal Planbureau; deeltijdhoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam) als een van de leiders van de nieuwe generatie pensioenfondsmanagers. Jaarlijks hebben Frijns en zijn beleggers zo'n 16 miljard gulden te besteden: 4 miljard aan door de ambtenaren betaalde premies en zo'n 12 miljard gulden die vrijkomt doordat bestaande beleggingen weer worden afgelost. “Het voordeel van groot zijn is dat je veel partijen kunt afgaan en hard kunt onderhandelen.” Het nadeel? “Geld wordt iets heel abstracts. Het geld van het ABP is ander geld dan mijn eigen geld.”

De komende vier jaar moet het percentage van het vermogen dat in aandelen wordt belegd (nu 14 procent) ruimschoots verdubbeld worden tot 30 procent, terwijl de beleggingen in vastgoed van de huidige 7 procent naar 10 procent gaan. In feite is zelfs sprake van dubbele groei: de beleggingen in vastgoed en aandelen nemen toe als percentage van het vermogen, maar het vermogen zelf neemt ook nog steeds toe. Het gaat om zo'n 50 miljard gulden in 5 jaar. Wat doet het ABP als de beurs inzakt? “Je moet niet in aandelen gaan als je er in slechte tijden weer uitgaat. Dat is het uur der waarheid.”

Frijns' praktische voorkeur voor markten en verhandelbare effecten heeft nog een andere achtergrond dan alleen de wetenschap dat de economische uitkomsten daar de beste zijn. Markten zijn anoniem. Grote kapitaalkrachtige partijen als het ABP kunnen daarop handelen zonder dat hun individuele acties opvallen en de aandacht trekken.

De indruk dat hij macht heeft, bestrijdt Frijns met verve. “Beslis ik of iets wel of niet doorgaat? Zo werkt het niet. Beleggers willen allemaal het hoogste rendement. Als een bedrijf nieuwe aandelen uitgeeft, gaan de effecten naar degeen die er net een dubbeltje meer voor over heeft dan de ander. Zijn de aandelen te duur geprijsd, dan doet niemand mee.”

En hij wordt zelf ook getoetst, niet alleen door zijn bestuur, ook door de markt. Vorig jaar verdiende het ABP 16,4 procent op zijn beleggingen, waarbij het fonds beter scoorde dan het gemiddelde in de pensioenfondswereld. De betere score kwam vooral door het grote pakket Nederlandse aandelen, dat een hoger rendement behaalde dan buitenlandse aandelen. Frijns gelooft heilig in zulke performance-cijfers, die de pensioenwereld dit jaar voor het eerst ook gezamenlijk opstelde. “Performance-meting scheidt het kaf van het koren. De volgende vraag die gesteld zal worden is: wat kost het allemaal om deze beleggingen te beheren. Hoeveel mensen moeten er wel niet eten van zo'n simpele functie als het alloceren van kapitaal: bij banken, op de beurs, bij accountants, bij vermogensbeheerders. Kan dat niet wat efficiënter?”

Al gaat er voor Frijns als belegger niets boven de concurrentie van de vrije markt, als directeur van een Nederlandse superbelegger moet hij ook een evenwicht zien te handhaven met andere belangen. Dat financiële markten in Amerika en Engeland een superieure efficiency bieden staat voor hem buiten kijf, maar voor andere delen van de samenleving, zoals de arbeidsmarkt en de sociale instituties, is Frijns “geen voorstander van pure marktwerking. Daar zie ik dat het organiseren van solidariteit voordelen heeft”.

Op het snijvlak van de financiële markten en de maatschappelijke instituties staan de ondernemingen. Met de verlegging van hun kapitaalstromen transformeren de pensioenfondsen de Nederlandse economie tot een meer Angelsaksische krachtmeting, waar ondernemers rendement moeten laten zien en tegenover hun aandeelhouders verantwoording moeten afleggen over hun daden. Frijns:“Onze rol als institutionele belegger is groter dan ooit. Ondernemers zijn zich dat veel meer bewust. Dat is relatief nieuw en leidt aan beide kanten tot veranderend gedrag.”

Hoe de professionele beleggers op de veranderingen moeten reageren, is nog lang niet uitgekristalliseerd. Zij zijn de dominante aandeelhouders geworden, maar werken met andermans geld: dat van spaarders in beleggingsfondsen en werknemers die hun oude dag veiligstellen via pensioenfondsen en levensverzekeringen. “Dat geeft hun een zware fiduciaire verantwoordelijkheid”, vindt Frijns. Vertrouwen is niet meer zoals vroeger afgaan op blauw bloed of blauwe ogen, maar wordt steeds openlijker in transparantie en harde rendementen geschreven.

De tegenpolen zijn Amerika en continentaal Europa. Draait in bedrijven alles om de winstgroei in het volgende kwartaal, zoals in Amerika, waar beleggers de feitelijke machthebbers zijn in grote bedrijven? Of moet het management een evenwicht nastreven tussen elkaar tegensprekende belangen, zoals die van de werknemers, van de (lokale) gemeenschap, van het milieu, en van de kapitaalverschaffers?

Op de Angelsaksische financiële markten, waar confrontatie een integraal onderdeel van de bedrijfscultuur is, geldt het pensioenfonds Calpers, dat de pensioengelden beheert van de werknemers van de staat Californië, als trendsetter onder de grote beleggers. Calpers' visie luidt dat professionele beleggers zo groot zijn geworden, dat zij hun beleggingen niet meer op de effectenbeurs kunnen verkopen zonder de koers van de aandelen te frustreren. Als het fout dreigt te gaan met een bedrijf is verkoop van de aandelen voor een grote belegger geen verantwoorde keus. Een belegger moet zich actief inzetten om het bedrijfsbeleid te wijzigen, door discussies met de managers en desnoods door de topmanager aan de kant te zetten.

Zo ver gaan als Calpers gaat, wil Frijns niet. In Nederland wordt het spel anders gespeeld, langs lijnen der geleidelijkheid en poging tot consensus. Sinds 1971 ligt het zwaartepunt in grote bedrijven niet bij de aandeelhouders, maar bij de directies en bij de commissarissen, die de directeuren benoemen en toezicht moeten houden op hun beleid. Invloed uitoefenen op de commissarissen is een heel karwei: de commissarissen voorzien in hun eigen opvolging, een procedure die leidt tot concentratie van vele commissariaten bij een beperkte groep (gepensioneerde) managers.

“Wij willen geen ondernemer spelen. Wij zijn belegger. Wij alloceren geld. Het exploiteren als ondernemer doet iemand anders. Ondernemend beleggen, en je bemoeien met de investeringbeslissingen van de directies is verleidelijk. Maar beleggen is een eigen vak. Als je de grens overschrijdt naar ondernemen dan begint het gevaar. Overmoed is de mens aangeboren.” Commissariaten zijn niets voor beleggers, vindt Frijns. “Wij moeten onze handen vrij kunnen houden.”

Al schrikt Frijns terug voor een plaats aan de directietafel, hij wil wel dat de managers en de commissarissen die hen moeten controleren, meer dan vroeger verantwoording afleggen aan hun aandeelhouders. “Uit gesprekken met ondernemers en uit hun feitelijke acties blijkt dat zij steeds meer rekening houden met de belangen van de aandeelhouders. Het kan ook niet anders, want zij financieren zich steeds meer met het vermogen van beleggers, kijk maar naar de stroom van transacties die de laatste twee jaar op de markt is gekomen.” Stuk voor stuk geven managers nu duidelijk aan wat hun doelstellingen zijn, zo constateert Frijns, als het gaat om de groei van het bedrijf, de strategie die zij daarbij gebruiken, en de nettowinst die het resultaat moet zijn. “Dat is voor ondernemers nogal een verandering, als je daar je organisatie zo expliciet op moet richten.” Een commissie van deskundigen (inclusief een vertegenwoordiger van het ABP) werkt onder leiding van ex-Aegon-topman Peters aan formele ijkpunten voor de invloed van beleggers op het ondernemingsbeleid. Over de onderwerpen die de commissie-Peters moet voorstellen, wil Frijns niet praten, wel over ABP's eigen maatstaven.

“Wij hebben als belegger bovenal belang bij goed bestuur. Wij erkennen dat een goed geleid bedrijf ook kijkt naar winstgevendheid op lange termijn, met aspecten als de duurzaamheid van het produktieproces. Een vervuilende bedrijfstak die geen oplossing zoekt, is op lange termijn geen aantrekkelijke belegging. Maar wat op een gegeven moment goed is, is afhankelijk van de specifieke situatie. Dat kan in Amerika heel anders zijn dan in Nederland.”

Voordat het ABP een substantieel aandelenbelang (tussen de 5 en 7,5 procent) in een bedrijf koopt, praat het fonds vooraf met de topmanagers over bedrijfsstrategie en verantwoordingsplicht, vertelt Frijns. “De ondernemer moet het ook aantrekkelijk vinden. Er moet een understanding zijn.” Het ABP mag reglementair meer beleggen in een bedrijf dan 7,5 procent van de aandelen, maar wil dat niet. “Boven 7,5 procent groei je uit je beleggersrol.”

En al heeft Frijns een voorliefde voor de vrije markt, als het om aankopen van aandelen gaat, is een achterkamertje wel zo goedkoop. Zo kocht het ABP de aandelen Ahold die twee buitenlandse partners van het detailhandelconcern kwijt wilden, terwijl het ABP rechtstreeks van Nutricia nieuwe aandelen kocht. Aankopen in achterkamertjes drijven de prijs niet op, wat zou gebeuren als het ABP via de beurshandel grote pakketten zou kopen.

Voor de aandelenbeleggingen is Frijns bezig een staf van analisten op te bouwen, die eerst en vooral richting moet geven en controle moet uitoefenen op de financiële instellingen die het vermogen van het ABP beheren. Hij hoeft bij salarisbesprekingen geen ambtenarenschalen meer te eerbiedigen. Het Amerikaanse blad Institutional Investor tekende op dat junior fund managers op een salaris van 120.000 tot 150.000 gulden kunnen rekenen, seniors op 200.000 tot 300.000. “Wij betalen beter dan vroeger”, zegt Frijns, “maar wij proberen niet voorop te lopen.” De bedragen bevestigen of ontkennen, nee. “Ik wil absoluut geen geldcultuur. Ik wil een stabiele organisatie. Twintig jaar geleden was beleggen niet de meest spectaculaire baan, maar de professie is zo internationaal geworden, de keuzemogelijkheden zijn nu onbeperkt. Wie bij ons werkt heeft een venster op de wereld. Je komt bij de beste partijen ter wereld binnen.”

De vastgoedbeleggingen zijn de afgelopen twee jaar volledig gereorganiseerd. “De hardste les was dat vastgoed geen risicoloze belegging was, dat met name het verouderingsrisico van gebouwen en dus de noodzaak van renovatie sterker is toegenomen dan wij hadden verwacht.” Het ABP heeft zijn Nederlandse beleggingen in winkels en kantoren al apart gezet in twee fondsen die zelf het beheer moeten voeren. “Wij zijn beleggers, geen onroerend-goedboeren.” Verwacht wordt dat ook de portefeuille woningen en hypotheken op deze manier verzelfstandigd wordt.

De beheersorganisatie die in Amerika in de jaren tachtig was opgezet, is weer ontmanteld. Het ABP belegt alleen nog maar in aandelen van vastgoedmaatschappijen die zij ook weer kan verkopen als zij dat wil, en niet meer direct in gebouwen. In Amerika is wat dat betreft zo ongeveer alles fout gegaan wat maar fout kan gaan: een investering in een projectontwikkelaar eindigde in faillissement, een groot kantoorgebouw brandde af waarna een schadeclaimprocedure volgde tegen het ABP en tot overmaat van ramp zakte de complete markt in elkaar. “Schoolvoorbeeld van verkeerde timing was de investering in Rodamco (het vastgoedfonds van de Robeco groep; red.) in 1992, toen de koers al gedaald was van 75 gulden naar 50 gulden. Wij dachten dat het ergste wel achter de rug was, maar daarna ging de daling nog drie jaar door. Dat is niet leuk.” Het ABP kocht in 1992 10,8 miljoen aandelen tegen een prijs van 62,50 gulden per stuk. De huidige koers ligt daar ver onder.

Al was de timing fout, Rodamco als een vehikel voor internationaal beleggen in vastgoed wil Frijns niet kwijt, maar maximale flexibiliteit staat voorop. Zo is het opmerkelijk te zien dat Rodamco zijn grote inspanningen op dit moment op de markt in het Verre Oosten richt, terwijl het ABP juist 775 miljoen gulden extra vermogen op de Amerikaanse vastgoedmarkt investeert. “Wij profiteren natuurlijk mee van wat in het Verre Oosten gebeurt door onze belegging in Rodamco, maar met onze eigen beleggingen geven wij het primaaat aan de VS”, zegt Frijns. “Ik vind de rendementsverhoudingen daar nu aantrekkelijker.”

    • Menno Tamminga