Overzicht van recente interieurkunst; 'Wijvenvak' in mannenhanden

'Wonen' is tegenwoordig een wijdverbreide liefhebberij. Maar de recente geschiedenis daarvan was tot nog toe nauwelijks gedocumenteerd. Nu is er een dik boek over 125 jaar Nederlandse binnenhuis-architectuur. En in Rotterdam is aan hetzelfde onderwerp een tentoonstelling gewijd.

Van neo-renaissance tot post-modernisme, Honderdvijfentwintig jaar Nederlandse interieurs 1870-1995, onder redactie van Ellinoor Bergvelt, Frans van Burkom en Karin Gaillard, Uitgeverij 010, prijs ƒ 115

Nederlands Interieur t/m 8 september in het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, Rotterdam. Open di t/m za 10-17 uur, zo 11-17 uur.

Analoog aan het eenvoudig doch voedzaam van de typisch Nederlandse maaltijd, kun je het Nederlandse interieur sober maar gezellig noemen. Tenminste, dat is de geijkte opvatting. Er bestaan diverse, al wat oudere boeken over de geschiedenis van het vaderlandse binnenhuis, waarin die nationale karaktertrek steevast wordt genoemd. Hollands Gouden Eeuw was volgens de auteurs de tijd waarin de interieurkunst bloeide - vooral de eerste helft daarvan, want later werd het allemaal wat te luxueus. In de moderne tijd ging het helemaal mis: neostijlen en 'verslapping van de vormen' vierden hoogtij. In vroeger tijden wist elke burger hoe men behoorde te wonen, maar sinds de negentiende eeuw was het 'goede' interieur een zeldzaamheid.

Die oude binnenhuisboeken zijn leuk om in te bladeren. Maar over de ontwikkeling van het eigentijdse interieur was de literatuur tot voor kort schaars. Onlangs verscheen Van neo-renaissance tot post-modernisme, honderdvijfentwintig jaar Nederlandse interieurs 1870-1995, een groot, dik boekwerk dat in die lacune voorziet. Vijftien auteurs bogen zich over het onderwerp, dat werd opgedeeld in dertien stijlrichtingen, alias hoofdstukken. In het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam is ter gelegenheid van het verschijnen van het boek een tentoonstelling over het thema ingericht met tekeningen, foto's en meubels. Voorwaar, heuglijke ontwikkelingen.

Helaas heeft boek noch tentoonstelling ook maar de geringste pretentie te tonen hoe Nederlandse binnenhuizen er in die 125 jaar ècht uitzagen. Anders dan de ondertitel suggereert gaat het niet om interieurs, maar om binnenhuisarchitectuur. (Over dit vak wordt vaak een beetje meewarig gedaan, getuige bijvoorbeeld de uitspraak van de beroemde Josef Hoffmann, die in plat Weens tegen zijn leerling, de Nederlander Hein Salomonson, zei: Dös ies a Foch für Weiber - dat is een wijvenvak.)

Met de vraag waarom dat zo zou zijn, en andere sociologische of psychologische kwesties, houden de auteurs zich verder niet bezig. Maar binnen de grenzen van zijn strikt kunsthistorische oriëntatie is Van neo-renaissance tot post-modernisme een zeer informatief boek. Alleen al de foto's zijn fraai. Behalve met een tekst opent het boek ook met een foto. Het is een blik in een authentiek laat-negentiende-eeuws interieur, de grote salon in Museum Bisdom van Vliet te Haastrecht. Alles is hier bekleed of versierd. De schuifdeuren worden omlijst door zware, dubbele gordijnen met gezellige kwasten; in de vensterbank liggen kussens, op de kast staan vazen, op de schoorsteenmantel prijken kandelaars en een klok.

Zulke interieurs, juist uit die periode, zijn heel schaars in Nederland. Ellinoor Bergvelt en Frans van Burkom zijn daar boos over, schrijven zij. Volgens hen is Nederland op het gebied van de conservering van oorspronkelijke interieurs een barbaars land. Meer dan waar ook ter wereld is hier gesloopt en weggehaald. Het modernisme heeft hier te lande in ieder geval een grote rol gespeeld.

Toch waren er, voordat het zover kwam, nog andere Nederlandse vernieuwingsbewegingen: de weelderige 'sierkunst' van ontwerpers als Lion Cachet en Th. Nieuwenhuis bijvoorbeeld, en de interieurs van Berlage, die erin slagen tegelijk revolutionair en behaaglijk te zijn. Jac. van den Bosch, een jongere compagnon van Berlage, maakte in de eerste jaren van deze eeuw graag inglenooks in de kamers van zijn opdrachtgevers: ingebouwde, knusse zithoekjes met een vaste bank onder een verlaagd plafond.

Van den Bosch was niet de enige architect die hield van betimmeringen, vaste banken en ander 'ingebouwd' meubilair: P.L. Kramer en Michel de Klerk, onder vele anderen, deden dat ook. Wie denkt dat deze aangename interieurs zijn weggevaagd door het modernisme alleen, heeft slechts ten dele gelijk. Zij zijn ook verdwenen door de opkomst van gestandaardiseerde woningen en meubels uit de fabriek en door de gestegen arbeidskosten. Het laten ontwerpen, maken en inbouwen van een betimmering-op-maat is iets dat bijna niemand zich in onze tijd nog kan veroorloven.

Toch duikt er in de naoorlogse tijd een soort parallel op voor de ingebouwde meubels van weleer. Dat zijn de 'ruimtelijke elementen' (er is veel newspeak in de wereld van de architectuur) in de interieurs van Aldo van Eyck en, iets minder, Herman Hertzberger. Zo had Van Eyck in zijn wereldberoemde ontwerp voor het Amsterdamse Burgerweeshuis (1957-1960) met muurtjes en niveauverschillen veel speciale 'plekjes' geschapen: roddel-, zit- en leeshoeken, en zelfs een pannenkoekenkeukentje. Juist dit ingebouwde meubilair, waarmee de ontwerper wel erg dicht op de huid van de toekomstige bewoners van het gebouw was gekropen, werd er al spoedig weer uit gesloopt.

Het maakt nu eenmaal een groot verschil of een ontwerper, zoals vroeger, werkt in nauw contact met een opdrachtgever die ook de toekomstige bewoner is, of dat de afstand groter is en de bewoner anoniem blijft. In het tweede geval (vanaf de jaren twintig steeds gebruikelijker) moeten ontwerpers zich terughoudender opstellen. De meesten zijn daarvoor niet in de wieg gelegd. In tegendeel, het totalitarisme van de ideeën van interieurontwerpers, bijvoorbeeld ook de Stijl-kunstenaars met hun alomtegenwoordige kleurvlakken, is soms verbijsterend.

Een ander voorbeeld van dwingelandij was Goed Wonen. Deze in 1946 opgerichte beweging, die Spartaanse eenvoud aanprees onder het motto 'licht en ruimte', heeft in later jaren veel kritiek gekregen om haar bevoogdende inslag; recenter ook vanwege haar conservatieve opvattingen over het gezin. De auteurs van Van neo-renaissance tot post-modernisme wijzen er op dat andere groepen binnenhuisarchitecten vaak net zo veel dwang uitoefenden als de 'interieurdominees' van Goed Wonen.

Iets waar zij niet op in gaan is, dat de meeste interieurvormgevers die naam hebben gemaakt, ondanks de 'vrouwelijke inslag' van het vak toch mannen waren en bovendien meestal architecten. Komt dat doordat ontwerpen die niet voor de buitenwereld zichtbaar zijn, samen met hun makers nu eenmaal snel worden vergeten? Of is het inderdaad zo dat niemand die echt goed is in deze sector, genoegen neemt met alleen interieurs? En zijn vrouwen gemiddeld nu eenmaal minder goede architecten?

Wat vijftien jaar geleden nog compleet genegeerd zou zijn in een overzicht van de Nederlandse (binnenhuis-)architectuur, maar hier wel wordt besproken, is het traditionalisme. Tussen de Eerste Wereldoorlog en de jaren zestig werkte een groot aantal architecten in deze stijl: zij maakten comfortabele, sfeervolle villa's, imposante musea zoals Boijmans van Beuningen in Rotterdam en verder nogal wat kerken en raadhuizen. A.J. Kropholler (wiens Van Abbe-museum in Eindhoven nu toch gespaard schijnt te worden) was misschien de begaafdste onder hen. Hij ontwierp in een markante stijl met een sterk Berlagiaanse inslag, een stijl die de gemiddelde Nederlander ongetwijfeld meer aansprak dan die van zijn modernistische tijdgenoten.

Maar de mening van die gemiddelde Nederlander weegt nu eenmaal niet zwaar voor kunstenaars, vormgevers en deskundigen. Toch is er wat dat aangaat een verschil tussen vrije en toegepaste kunst: de laatste (en daar hoort architectuur bij) moet de mens dienen. De man in de straat kan zonder veel moeite kunstwerken omzeilen die hem storen, maar is wel gedwongen tot het gebruik van gebouwen en interieurs.

Des te interessanter zou het natuurlijk zijn om te zien wat gewone Nederlanders in de afgelopen jaren, waarin 'wonen' een wijdverbreide liefhebberij werd, met hun eigen interieurs hebben gedaan. Maar dat valt buiten het blikveld van het boek. Ook de vrij kleine tentoonstelling in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam biedt wat dat betreft geen uitkomst. Sterker nog, zij lijkt met zorg te zijn ontworpen om géén beeld te scheppen en géén sfeer op te roepen.

Aan de voet van een metershoge schuine wand hangt een reeks foto's, tekeningen en schetsen. Daarboven, op een hoogte die varieert van twee tot ongeveer vijf meter, hangen tweeëntwintig voorbeelden van meubelkunst tegen diezelfde muur, deels op hun kant (stoelpoten tegen de wand) en deels rechtop, zodat je, het hoofd in de nek, voornamelijk onderkanten ziet. Vooral charmante, met velours gestoffeerde meubels zoals de fauteuils uit het begin van de jaren '20 van ontwerpbureau Eibink en Snellebrand hangen er, met hun franjes in een donkere hoek, machteloos bij. Slachtoffers van een meubelsadist.

Daarnaast worden drie series dia's op dunne gaasdoeken geprojecteerd, een vorm van weergave waartegen slechts de sprekendste kleuren en de scherpste lijnen bestand zijn en de meeste dia's van oude zwart-witfoto's niet. Het is een expositie die dit ambitieuze boek niet waardig is. Je huivert bij de gedachte hoe de ontwerper ervan, Olaf Gerson, een interieur voor menselijke bewoning vorm zou geven.

INTERIEURS VOOR DE LENS

De manier waarop Nederlanders hun huizen inrichten, krijgt steeds meer aandacht. De VPRO-televisie zendt momenteel de serie Interieurs uit: bewoners spreken, terwijl de camera rondkijkt in hun huis (Nederland 3, maandagavond, nog tot eind augustus). De formule is in 1991 voor het eerst gebruikt in het BBC-programma Signs of the Times.

- In het Goudse Stedelijk Museum is een tentoonstelling onder de titel Binnenstebuiten. Achtenzestig Goudenaren, uit zoveel mogelijk verschillende bevolkingsgroepen, hebben hiervoor fotograaf Martin Droog in hun huiskamer toegelaten en één dierbaar voorwerp ter expositie aan het museum geleend. Alle mogelijke woningtypes zijn vertegenwoordigd, van een woonboot en een woonwagen tot het kamertje van een vluchtelinge en een monumentaal grachtenpand. (Oosthaven 9, Gouda, ma t/m za 10-17, zo 12-17, nog tot 17 november)

    • Ileen Montijn